Ann Meskens

A-Z Lezing ANN MESKENS 30.03.2010

Verslag: Ann Meskens

plastiek 0.1 (de ~ [v]) de kunst om uit zachte stoffen beelden en figuren te maken, boetseerkunst. 0.2 stof- en verzamelnaam. Verzamelnaam voor overwegend synthetisch vervaardigde hoogmoleculaire stoffen, die ten minste eenmaal in hun bereidingsproces een plastisch stadium hebben doorlopen, en bestaan uit polymeren of condensaten van vele malen herhaalde eenvoudiger eenheden of monomeren.

plastic: 1 (het ~ ; ~s) uit het Engels, thans gebruikelijker dan plastiek. Plastics zijn synthetische macromoleculaire stoffen, die door plastische vormgeving hun materiaalfunctie verkrijgen. 0.2 ook als bijwoord (fig.), gemaakt, onecht, onnatuurlijk: een plastic glimlach, een plastic mens. De Engelse term ‘plastic’ waarmee onze kunststoffen dikwijls aangeduid worden, betekent in feite hetzelfde als ons woord ‘plastisch’, d.w.z. kneedbaar, vormbaar. Toen de industrie een verzamelnaam zocht voor kunststoffen als geheel, kwam de naam plastic naar voren, omdat het gemak waarmee deze nieuwe materialen gemodelleerd konden worden, het opvallendste kenmerk leek te zijn.

— ‘Als wij, mensen, de aarde ons huis durven noemen,
moeten wijzelf als nestbevuilers worden aangesproken.
Als we de aarde moeder aarde noemen,
zijn wij zonder twijfel de grootste motherfuckers.’

(Een uitspraak van mezelf halfweg mijn gebagger in The Plastic World – de halfweg is
belangrijk, omdat ik, zoals dit citaat zou kunnen suggereren, niet enkel aan sarcasme
onderhevig was.)

— ‘Ik eis het recht op om middenin de tegenstellingen
van mijn tijd te leven, waarin sarcasme kan nodig zijn
om de waarheid te dienen.’

(Een uitspraak van één van mijn leermeesters, de Franse filosoof Roland Barthes, in het
voorwoord van zijn boek Mythologieën. Ik haal hem aan omdat hij al in de jaren vijftig over
plastic durfde te schrijven. Het werkwoord durfde is in de voorgaande zin belangrijk.)

De titel is Lang leve plastic!
Er klinkt sarcasme in door, maar ook waarheid en enthousiasme.
De ondertitel is Notities.
Niets meer, vrees ik, niets minder, hoop ik.
Dat heb ik aan mezelf te danken.
En aan het thema.
Iets als duurzaamheid is volgens mij het meest relevant in de wereld van de makers -
zij belichamen vaak mijn hoop in een aanzienlijke wanhopige wereld. Zo dacht ik ook
al snel aan PLASTIC.
Iets zo duurzaam dat het niet kapot te krijgen is.
Iets dat de wereld van het maken tot in de atomen raakt.
Iets dat zowel de mens in zijn genialiteit als zijn stompzinnigheid toont.
Nauwelijks op de hoogte, zoals de meeste filosofen, stapte ik in wat ik hier ‘een eerste
onderzoek’ in
The Plastic World noem… en ik raakte er nauwelijks uit. De notities stapelden zich op.
Het was fantastisch en verschrikkelijk tegelijkertijd. Niettemin: welkom.

Nog even.

Ik draag deze notities op aan Fred Van der Steen, opgeleid als kernfysicus maar
vooral werkzaam geweest als productontwikkelaar. Hij was een vechter, maar verloor
van kanker. Hij was mijn vriend. Het maakte me dan ook woedend hoe vaak ik het
woord kankerverwekkend moest lezen in alles wat met plastic te maken had.

Misschien ben ik vooralsnog te woedend om een gebalanceerde tekst te schrijven.

1. D e vraag naar PL ASTIC

— Le plastique, c’est fantastique
Le caoutchouc, super doux
Nous l’affirmons sans complexe
C’est une question de réflexe
Nous sommes adeptes du latex

(Elmer Food Beat - Le plastique, c’est fantastique)

Om te beginnen twee vragen.

Een. Waarom zou men überhaupt een filosoof vragen om over een wereld van dingen
te spreken? En twee. Als een filosoof op de vraag zou ingaan, kan hij wel behoorlijk
over de dingen uitweiden?

(Bekijk de lijst van de voorbeeldige sprekers van A tot Z, allemaal mensen die toch iets maken,
waarom zou er vervolgens een filosoof aan zet zijn?)

Filosofen, zo zegt men, leven al eeuwenlang in een wereld van ideeën. Die wereld
lijkt dan vooral een wereldvreemde ruimte te zijn van abstractie en abstrahering, van
eeuwigheid en luchtledigheid, van veel gepraat en geschrijf, in elk geval weg van de
dagdagelijkse huiselijkheden en het drukke gewoel van de straat.
Hoewel het een interessante positie is die ik iedereen af en toe aanraad, moet ik
toegeven dat in het benaderen van de concrete, fysische, materiële realiteit, er bij
ons een gebrek aan gewoonte speelt - misschien zelfs meer dan een gebrek aan
goede wil.
Ik noemde dit al eerder onze historische onwennigheid, en die speelt ons ook vandaag
nog altijd parten.
Wij zijn tamelijk gewoon om moeilijke begrippen te hanteren als mens & god, leven,
dood & sterfelijkheid, schuld & verantwoordelijkheid. We wenden er aan na te denken
over menselijke, al te menselijke zaken – ook al komen we er niet en nooit uit.
Maar we zijn het eeuwenlang niet gewoon geweest om over de meest voor de hand
liggende dingen te praten, neem nu: stoelen, een jas, huizen, een juweel,… en ik zeg
maar iets: opblaasbare zwembandjes die onze kinderen drijvende houden.
Het is nog steeds niet gebruikelijk, maar het gaat beter met ons.
We zitten - hout vasthouden - meer en meer samen aan tafel met stadsplanners,
architecten, ontwerpers en kunstenaars.
Mijn ervaring is: het is bijzonder goed tafelen met elkaar.
Mijn ervaring is ook: filosofen nemen de uitnodiging nog altijd te weinig aan of we
lopen te snel van tafel weg.
Waarom aarzelen we zo?

Een eerste malafide opmerking

Er is niet enkel sprake van een historische onwennigheid, er lijkt ook zoiets mee te
spelen als een historische minachting. Die neerbuigende houding vergezelt een diepverankerd
geloof.
Niet alleen in het Westen, ook in het Oosten, niet alleen de eerste filosofen, maar ook
vandaag geloven zelfs de meeste diehard-consumenten dat zowel de waarheid, de
wijsheid en het goede in het niet-materiële, geestelijke, spirituele domein liggen. Die
idee is niet geheel onterecht. Maar door een niet vanzelfsprekend boemerangeffect
lijken de leugen, de domheid en het kwade dan vanzelf zijn plaats te krijgen in de
concrete materiële wereld van alledag.
En daar blijven wij, filosofen, dan het liefst ver vandaan.

Een tweede malafide opmerking

Brengen filosofen hun aanzien en geloofwaardigheid in hun eigen milieu in gevaar
als ze de dingen, en zeker de concrete dagelijkse dingen, in het filosofische gesprek
binnenbrengen?
Misschien. Veeleer oreren we over de scheppingskracht van de mens, zijn geniale
redeneringvermogen of zijn morele verantwoordelijkheid dan dat we een wijsgerig
exposé houden over een plastic scheermes.
Het is ook zo dat onze discours evengoed aan mode onderhevig zijn. In de huidige
postmoderne filosofie is er nog altijd veel aandacht voor de taal; men vertrekt vanuit
de taal en komt er opnieuw bij uit. Eerst is er taal, zo zeggen we, dan pas de mens en
de werkelijkheid. Dus ook de dingen bestaan - en zelfs ontstaan - door middel van
hun naamgeving, hun teken, betekenis, symboliek en metaforiek.
Vormgevers, designers maar ook architecten zullen dit herkennen: ook zij werken hoe
langer hoe meer in een wereld van teken, imago, metaforiek, betekenis. Het jagen
op beelden en codes.
Eén voorbeeld. Als wij op een lange luie zaterdag uit vrije wil verkiezen om als sardientjes
samen te scholen in een Ikeawoonwinkel, een shoppingmall of een woonbeurs,
is dat ook om via kleding, accessoires en interieurspulletjes - via logo, mode,
imago en look - onze postmoderne identiteit bij elkaar te passen.

(Korte tussenopmerking: wie kijkt er nog - of al - naar de labels in de kleding, beseft uit welk materiaal de net
gekochte citroenpers of comfortabele ligstoel is gemaakt? Kort antwoord. Ik niet. We moeten toegeven, slechts
een paar eco-gekken, verder niemand.)

Maar goed.

Designcriticus Ezio Manzini 2 sprak begin jaren negentig zelfs van een semiotic polution
voor de overvloed aan beelden en tekens waaraan we lijden. Volgens hem kregen
we te veel tekens binnen, een overdosis, en te weinig betekenis, ondervoeding alom.
Hoe interessant de postmoderne taalfilosofische aanpakken ook zijn, en hoezeer ze
ook hulp kunnen bieden om bizarre fenomenen als verzamelwoede, koopverslaving
en een wegwerpmentaliteit te verstaan, de meeste wijsgerige gedachten en teksten
verwijderen zich al spoedig van de concrete wereld.
Wat dan met de hedendaagse moraalfilosofische interesse? Het begrip ethiek - als
synoniem voor moraalfilosofie gebruikt - is afgeleid van het Griekse woord ethos —
wat zoiets betekende als gewoonte, gedrag, gebruik — daar zouden de dingen hun
plaats dicht bij de mensen moeten krijgen, ja toch?
Tja. Binnen de moraaltheorieën vandaag valt de aandacht voor het dier op, voor de
planten en zelfs de levenloze natuur. Men spreekt over de waarde van kangoeroes en
zelfs de ziel van een woestijn.
Openbaar kunstbezit, monumentenzorg en stadsbehoud verplichten de moraalfilosofen
- naast de esthetici - al eens over schilderijen, passieve huizen en bankjes in het
groen te denken.
Er zijn gelukkig hoe langer hoe meer filosofen met fascinatie voor techniek, milieu,
ontwerp, voor de dingen dus.
Maar vanaf het begin van de moderniteit, enkele eeuwen al dus, was ethiek allereerst
een mensenzaak. De verhouding tussen mensen was de hoofdzaak, de dieren, de
planten of de gehele natuur kwamen zelden ter sprake, de geproduceerde dingen
mengden zich al helemaal niet in het gesprek.
Leven en dood van de dingen zou anders best onderwerp van filosofische reflectie
kunnen zijn: de aging van producten, bijvoorbeeld, of hoe vorm en inhoud van bij de
geboorte van plastic fundamenteel samen horen, of plastic het eeuwige leven heeft,
patina verkrijgt of ook sterft? En wanneer dan én waar én hoe?
Enthousiaste Barbiepoppenverzamelaars of musea die Tupperwaredozen tentoonstellen
hebben daar intussen wel kennis van. Plastic zelf is onverwoestbaar in de
zin dat plastic enkel afbreekt in kleinere plasticdeeltjes, maar dingen die uit plastic
gemaakt zijn wel onderhevig aan slijtage: barsten en scheuren, kleurverschillen, vetopname,
verbrokkeling…
Ik denk soms. Misschien moeten filosofen om die radicale historische onwennigheid
van zich af te schudden ook af en toe werkelijk dichtbij de dingen komen: ze betasten,
al eens denken over de aanraking van twee keer huid, van ding en van mens. Over de
streling van wol en fleece, het koele geritsel van zijde, de wollige warmte van vilt, hoe
iets als plato-hout (het bestaat!) aanvoelt, hoe het gesteld is met onze handtastelijkheid
als het plastic betreft?
Misschien moeten filosofen gewoon vaker buitenkomen, boodschappen doen bijvoorbeeld,
en een hedendaagse stad in trekken. Het kan niet anders dan dat we bijvoorbeeld
de hoeveelheid plastic in het oog krijgen. En thuis zouden we dan misschien
eens een basiscursus scheikunde studeren in plaats van met een aangescherpt potloodje
een traktaat te lezen van Hegel of Kierkegaard.

Jawel, vrijdagmiddag, 3 uur.

De kousen die we ons net aanschaften zijn al lang niet meer van zijde gemaakt. In de
jaren dertig van vorige eeuw vond een slimme geest poly-hexa-methyl-enea-dipamide
uit, oftewel nylon. Niet alleen vanuit het perspectief van de zijderups was dat een
opmerkelijke vooruitgang. Is het kousennylon van vandaag nog hetzelfde materiaal
als de nylon van toen? Kan ik, blij huppelend met mijn aankoop op weg naar huis en
met universitaire diploma’s op zak, mij een idee vormen over de wereldwijde gevolgen
van mijn bescheiden aankoop. Nee.

Een derde malafide opmerking

Misschien is de reden dat we zo lang zo weinig nadachten en schreven over de
dingen niet zozeer een kwestie van een oude historische erfenis of een gevolg van
nieuwe modes in de filosofie.
Komt het niet gewoon omdat filosofen vaak niet weten hoe de dingen werken en
omdat de dingen ons al eens belachelijk maken? Geldt hier het triviale maar eeuwenoude
verwijt dat we wereldvreemd zijn, onhandig en onaangepast?
Laat me u vertellen over die meesterlijke filosoof die eerst indrukwekkend zijn intellectuele
tegenstanders overwon in een wijsgerig debat - over Heidegger en de techniek
nota bene - en hoe die vervolgens, in de pauze in de gang verloor van een wellicht
schitterend ontworpen koffieautomaat. Ten slotte schonk het ding hem enthousiast
Cappuccino zoals onder nummer drie was beloofd, maar de hooggestemde denker
was niet eens voorbij handeling één geraakt, het nemen van een bekertje.
Zo meen ik soms, lichtjes overdreven, dat filosofen een aangewezen proefgroep zouden
zijn; als wij de dvd-recorder kunnen aanzetten, als het ons lukt een vouwfietsje uit
te plooien, als wij de digitale fotobestanden behoorlijk kunnen doorsturen, dan zijn
die producten in elk geval gebruiksvriendelijk.
Ik zeg u: niemand van de aanwezigen van dit colloquium had u kunnen vertellen uit
welk materiaal het bekertje was gemaakt, tenzij we de olijke naam piepschuim zouden
ophoesten. Ook ik niet, en daar schaam ik me over.
Zo waren en zijn we nog altijd vaak angstig voor nieuwe dingen als computers en
iPods, en hebben we vaak een aversie voor plekken waar er zich veel dingen ophouden:
zoals laboratoria en shoppingmalls. En denkt u dat we twee minuten over een
nieuw materiaal als fleece zouden kunnen uitweiden?

Drie opmerkingen evenwel,
ter goeder trouw nu.

Sommige aanpakken, methodes, gevoeligheden,.. die men als typisch ‘filosofisch’
beschouwt, betekenen niet altijd dat men zich verder van de werkelijkheid verwijdert.
Drie fascinaties waardoor men ons vaak verwijt wereldvreemd te zijn: onze fascinatie
met taal, met veralgemening en abstractie, met tijd en eeuwigheid, kunnen zelfs soms
eens voorbeeldig zijn voor minder filosofische disciplines die misschien iets te vaak, te
lang en te diep met hun voeten in de modder van de werkelijkheid staan.

Een . Neem nu die fascinatie met taal

Men kan allereerst stellen dat taal een eigen werkelijkheid heeft, vervolgens dat taal
dichter bij de werkelijkheid ligt dan men gewoonlijk denkt. Alle taalfilosofie van de
vorige eeuw heeft er minstens toe geleid dat wie taal gebruikt – en wie doet dat
niet? – beter zou moeten beseffen dat de taal hem als mens schept en hij via de taal
werkelijkheid creëert.
Zowel in onze omgangstaal als in onze wetenschappelijke talen zit een detectie, een
ordening en classificatie van de werkelijkheid ingebouwd. Die talen sturen onze waarneming.
In die mate dat bepaalde woorden het ons pas mogelijk maken bepaalde
dingen in de werkelijkheid op te merken, net zo goed als sommige woorden ervoor
zorgen dat we geneigd zijn om een deel van de werkelijkheid over het hoofd te zien
of te negeren.
Het is niet toevallig dat men ontwerpers aanraadt meer dan één taal te leren, zowel
natuurlijke als symbolische talen. Hoe meer talen, hoe meer werkelijkheid.
Het is ook niet toevallig dat er soms nieuwe woorden ontstaan, omdat de werkelijkheid
onze oude begrippen inhaalt en de taal de transformaties niet kan bijbenen.
Het woord plastic bijvoorbeeld aan het begin van de twintigste eeuw. Het woord
duurzaamheid bijvoorbeeld, aan het einde van de twintigste eeuw.

Plastic

Zo begon Roland Barthes zijn tekst over plastic:

— ‘Ondanks zijn Griekse herdersnamen – polystyreen,

fenoplast, polyvinyl, polyethyleen’ is plastic (…)

in wezen een alchemistische substantie.’


Plastic is de verzamelnaam voor alle kunststofmaterialen waarvan we niet eens meer

weten hoeveel er al bestaan. De Eskimo’s, zo hoor je al eens, hebben erg veel namen

voor sneeuw3. Daarom ervaren en onderscheiden ze ook zo veel soorten sneeuw. Dat

was een leugen van een antropoloog die nog iets meer werkelijkheid wilde creëren
dan er al was, maar het toont zo simpel een bestaande waarheid aan dat het verhaal

de geschiedenis inging.

Hoeveel woorden gebruiken wij — leken — voor wat er aan plastic bestaat: armzalig

weinig. Stel dat de meeste mensen in de toekomst het onderscheid niet meer maken

tussen de bestaande metalen en niet meer diversifiëren in ijzer, zink, goud of aluminium,

of nog louter hout zeggen in plaats van de rijkdom aan houtsoorten en hun

afgeleiden, zou dat een verarming zijn voor de concrete wereld. Helaas wel.

Die tendens lijkt trouwens ook te bestaan.

Omdat het materiaal van een ding minder en minder opgemerkt en geëvalueerd

wordt, als een voorwerp meer en meer uit merk, teken of imago bestaat.

Omdat de namaak vandaag zo perfect is dat het bijna niet meer te onderscheiden is

van wat wij dan echt zouden kunnen noemen.

Omdat we van het merendeel van de voorwerpen niet meer weten uit welk materiaal

— vaak uit welk plastic — het gemaakt is.

Laat staan dat we van een heleboel voorwerpen nog de functie zouden kunnen raden.

Hoe moeten we die dingen benoemen?

Naamgeving heeft altijd ook met verantwoordelijkheid te maken.

Wat is uiteindelijk het gevolg hiervan?

Als we het verschil niet meer kunnen maken, zal er zich ook allengs een onverschilligheid

over de dingen uitstrekken.

Maar luister. Bio-plastic heeft een voorvoegsel uit het oude Griekenland dat naar

bios verwijst, wat leven betekent. Eco-plastic verwijst naar het Griekse Oikos wat

woning betekent. Laat ons hopen dat de dingen die namen waarmaken. Intussen is

al de bio/eco/groene naamgeving zo gemeenzaam dat men het overal op stempelt -

en zo wordt het weer veel meer een teken om ons te verleiden dan dat het betekenis

heeft en geeft.

 

duurzaamheid

Wie vroeger had moeten raden wat dit woord betekende zou zeggen: ‘Euh, dat lijkt

een verzelfstandiging van een eigenschap van een ding, iets is onverslijtbaar of niet,

en duurzaamheid is dan zoiets als onverslijtbaarheid.’ Plastic zou dan erg hoog scoren

op de materialenladder.

Maar wie nu ‘duurzaamheid’ in de mond neemt, en tegenwoordig doet bijna iedereen

dat, verwijst of zou moeten verwijzen naar het Brundtland-rapport van de VN van

eind jaren tachtig van vorige eeuw met de welsprekende titel - Our common future4.

Uit het rapport blijkt dat duurzaam voornamelijk met ontwikkeling heeft te maken,

en wel in de volgende betekenis:

 

— ‘Duurzame ontwikkeling is de ontwikkeling die aansluit

op de behoeften van het heden zonder het vermogen van

toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien

in gevaar te brengen.’

 

Niemand is tegen, vermoed ik.

 

De definitie lijkt klaar en duidelijk, maar wie even nadenkt, ziet dat duurzaamheid

wel erg beperkt wordt tot de mens. Eigenlijk is het een complexe definitie vol
problematische termen: wat betekent behoeften, wat moet men onder vermogen verstaan,

hoezo/hoeveel/wanneer gevaar — en vooral voor wie? Het betekent wellicht

iets als: doe vandaag niet wat u morgen zou kunnen opbreken. Ik kan u zeggen dat de

oude Grieken - en ook mijn moeder - al zulke wijsheden verkondigden. Het is echter

de vraag hoe we zulke deugdelijke aansporingen in onze tijd zullen invullen? Niet alleen

individueel, maar met zijn allen. Niet alleen lokaal maar over de gehele wereld.

De volgende vraag valt in de definitie echter niet te beluisteren: wat doen we vandaag

als iets van gisteren ons opbreekt? Wat doen we bijvoorbeeld vandaag als gisteren

en eergisteren en heel de afgelopen eeuw de vraag naar plastic zo ontstellend

groot was dat het lijkt dat we er voor de rest van de eeuwigheid mee opgescheept

zitten?

 

De oude Griekse filosofen dachten al na over geluk en deugd, verantwoordelijkheid

en rechtvaardigheid, en waren ook bezig met taallogica en begripsontleding. Dat

hangt samen. Denken over taal legt de bouwstenen van de werkelijkheid bloot en is

nauw verweven met ons moreel aanvoelen en onze inschatting van de wereld.

Als Roland Barthes in zijn maandelijkse krantenstukken in de jaren vijftig over

beefsteak-frites of de Citroën DS schreef, was hij als filosoof een taalanalytisch instrument

aan het verfijnen, maar hij hoopte evenzo dat elke tekenleer op een tekenstorm

zou uitlopen. Speelde hij slechts taalspelletjes boven elke werkelijkheid verheven?

Neen, hij demonteerde hardnekkig de realiteit(en) van het Franse dagelijkse leven.

Het oude Griekse woord mythe gebruikte hij voor onze neiging om wat niet vanzelfsprekend

is in een maatschappij toch als vanzelfsprekend te beschouwen. Zaken die

louter toevallig, historisch en contingent zijn, stellen we ons gemakkelijk voor alsof ze

natuurlijk, universeel en eeuwig zijn — noodzakelijk en onbetwijfelbaar.

Barthes schreef over keukenschotels, een catchgevecht, of de moderne emotie rond

plastic… Hij besefte met elk onderwerp beter dat elke mythe vooral een kwestie van

taal is. De demystificatie die hij vooral schriftelijk in zijn bureau uitvoerde, was voor

hem echter een manier om er zich rekenschap van te geven. De werkelijkheid bestaat

uit collectieve voorstellingen (vaak nog met voorvoegsel: waan-) maar door een gedegen

taalanalyse erop los te laten, staat men minder machteloos en oefent men anderen

in een minder naïef kijken naar de dagelijkse vanzelfsprekende werkelijkheid.

 

Twee . Een andere filosofische gevoeligheid

is het oefenen in veralgemening en abstractie

Abstraheren 5 is een bekwaamheid waardoor men de werkelijkheid al snel achter zich

kan laten, dat is zo. We walsen dagelijks door zoveel goedkope veralgemeningen

heen, ach, ze raken vaak niet eens de slippen van de mantel van ons individuele

leventje. Ja, ja, we, wie, zijn: de babyboomers, de op winst beluste producenten, de

tweeverdieners, de verwoede barbieverzamelaars, de amateurkoks, de bedrieglijke

ontwerpers, de doe-het-zelvers, de milieuslachtoffers, de bewuste consumenten…

Wie is trouwens de mens?

Natuurlijk bestaat ‘de mens’ niet - nergens en nooit. Een klassieke filosofische uitdrukking

als ‘de mens is sterfelijk’ zegt wel iets wezenlijk over elke individuele mens.

Dat elk mens vergiftigd kan worden, bijvoorbeeld, elke Europeaan, elke Aziaat, elke

stedeling of plattelandsbewoner, elke ouderling en elk pas geboren kind.

Hoe raken we los van de concrete wereld en onze individuele waarneming? We moeten

niet altijd het leven in al zijn facetten aankleven, dan raken we er het zicht op

kwijt. Met ons vermogen tot abstrahering geraken we al een stuk op weg. Het is als

een zetellift naar de bergtop, waar het minder lawaaierig is en minder bevolkt, men

heeft er een vergezicht op het dal, men kan al eens afstand nemen en tijd nemen om

te denken. Het moet wel de bedoeling zijn om nadien naar het dal terug te keren.

Heen & weer. Het begin- en eindpunt is de bewandelbare tastbare wereld in het dal.

Wanneer heeft een veralgemening een relevant filosofisch niveau? Minstens die algemene

begrippen die de mensen toch blijven aanspreken in hun totaliteit en complexiteit,

en dat betekent van de weeromslag dat ze opnieuw dicht bij de realiteit

komen te liggen — die van zichzelf ook totaal en complex is.

Zeg nu. Wie is consument?

Wat betekent het woord?

Het Latijnse con-sumère is een samenstelling, sumère betekent nemen, con duidt

op het verbruiken in al zijn delen. Consúmptio betekent niet zozeer gebruiken, maar

verbruiken, vertering en vernietiging dus. Opsouperen is wellicht een goede vertaling.

Wat maakt iemand tot een consument?

Eigenlijk louter het feit dat hij of zij consumeert. Iedereen kan het en doet het.

Consumeren vergt geen speciale opleiding en is even democratisch als zuurstof inademen,

kinderen baren en languit gezakt televisiekijken. Wie het niet kan, is wellicht

zo arm dat hij ten dode opgeschreven is, en als hij in onze rijkere streken leeft is kan

hij van elke financiële bank een duwtje in de rug krijgen. (En of dat richting afgrond

is of richting nieuwe wasmachine of hippe terreinwagen is hun zaak niet, zo menen

de geldschieters lijdzaam.)

Nu we het toch over moreel gedrag hebben? Kan men vandaag nog goed consumeren?

Is dat dan louter diegene die consumindert?

Wie jarenlang gedachteloos teevee kijkt, kijkt niet beter of slimmer of met meer ervaring

dan wie net begint. Zo creëert het shoppen op zich ook geen ervaring en

verfijning. Men wordt niet vanzelf een ervaren of bewuste consument. Integendeel,

zo lijkt het wel.

Toch lijken de spookkarakters in de hedendaagse cultuurkritiek nauwelijks op de consumenten

in de winkelstraat. Het zijn geen shopmonsters die met elke aankoop de

wereldvernietiging op het oog hebben. Ze hebben meestal, net zoals ik, niets kwaads

in de zin, ze zijn helaas even onwetend of gehaast als ikzelf. Ik beken, zelfs een

opgeleid moraalfilosoof raakt in een winkelstraat al snel de weg kwijt tussen goed

en kwaad.

Wat moet/mag ik kopen? Welk product is goed voor mij? En voor de rest van de

wereld? Heeft men daarover wel nagedacht bij de eerste stap van weer eens een

nieuw product? En kan ik erover nadenken bij mijn aankopen van wat ik meen nodig

te hebben?

Tja, kijk rond. Op welke manier is een product nog toegankelijk voor ons, hoe kunnen

we het begrijpen? Wat is het? Uit welk materiaal bestaat het? Hoe is het gemaakt?

Hoe is het verpakt? Kunnen we het behoorlijk gebruiken, en hoe lang? Kunnen we het

recyclen of zelfs maar lichtjes aanpassen wanneer dat nodig zou zijn, laat staan repareren

- een bijna verloren gegaan woord afkomstig van het Latijn reparátio: hernieuwing,

re-paráre: opnieuw gereedmaken. Dat laatste liever niet, zegt de marktlogica,

en wie al eens dapper een schroevendraaier in de hand neemt, wordt in viertalige

waarschuwingen flink afgeschrikt: maak in geen enkel geval het apparaat open! Wie

het toch wil laten herstellen, krijgt van de winkel of het fabriek hoofdschuddend te

horen dat het goedkoper is een nieuw apparaat aan te schaffen.

 

Wat met de plasticrecycling-symbolen – de brede pijlen die in een driehoek naar

elkaar verwijzen. Ze suggereren vaak een kringloop waar er geen is. Het is vaker een

eenrichtingspijl en verwijzen in een rechte baan van de wieg tot aan het graf.

Wat is het trouwens verschil tussen symbooltje 1 - PETE - Polyethylene-en-nogwat

- en symbooltje 2 - HDPE - High density Polyethyleen? De derde soort - V -

Polyvinylchloride - kan men soms herkennen door de geur van vinylchloride-dampen.

Nummer 7 - OTHER is, zeg maar, de varia, de vuilbak van de plastics. Welk nummer

kiest u - als u al het goed verborgen symbool wil zoeken op het product in uw handen

in een drukke supermarkt?

Jawel, vrijdagavond, kwart na zes.

Wat gaan we eten? Boodschappentas vergeten en een jengelend jongetje van zeven

aan mijn zijde. Aan de kassa wordt het plastic speelgoedpiraatje al snel bij het plasticverpakte

voedsel gelegd. En een plastic tasje van 20 cent, alsjeblieft? Nergens

staat de opmerking: zoek hulp bij uw dokter om te stoppen met plasticgebruik. En

een 0800 nummer.

 

Een derde gevoeligheid: voor tijd

Van het besef van de kortstondigheid van een moment tot en met het nadenken wat

eeuwigheid betekent. Het is zo dat een bepaalde gevoeligheid voor het verglijden

van de tijd vaak tot filosofie leidt, het is ook zo dat een opleiding in de filosofie die

gevoeligheid nog versterkt.

Filosofie biedt in elk geval veeleer historisch inzicht dan gedroom over een toekomst.

Het tweede voorrecht hebben we vorige eeuw grotendeels verspeeld, de doden in de

20ste eeuw als gevolg van onze revolutionaire ideeën een eeuw vroeger, wegen nog

altijd zwaar. We kunnen niet anders dan bescheiden zijn. En die opdracht delen we

met iedereen. De politici maar ook de industriële ontwerpers, de chemici, de architecten

gaven in de 20ste eeuw vaak enthousiast vorm aan een gamma bedenkelijke

ideeën.

Bescheidenheid is minstens het besef dat verleden, heden en toekomst een driespan

zijn.

Bescheidenheid is minstens het besef dat de manier waarop we het begrip tijd verstaan,

zelf onderhevig is aan de tijd.

 

Soms hoopt men dat filosofen goede futurologen zouden kunnen zijn. Helaas zijn we

meestal terugkijkers en achternalopers. De uil, zo zei de beroemde Duitse filosoof

Hegel, vliegt bij het vallen van de avond. Hij vond dat een filosoof in zijn tijd moest

staan, maar dat betekende toch vooral na-denken: denken over wat er al was6. Wist

hij veel dat twee eeuwen later uilen een bedreigde diersoort zouden zijn.

Kan een mens wel in de toekomst kijken? Toen, met behulp van de vluchten van zwaluwen

of nu, dankzij de hoogtechnologische computers? Bescheidenheid is ook beseffen

dat futurologen met argwaan moeten worden beluisterd.

 

Ik laat nu even twee denkers uit vorige eeuwen aan het woord, let alvast op het

verschil in metaforen.

De 19de eeuwse Scandinavische filosoof Kierkegaard schreef in zijn dagboek dat

een vooruitziende blik in wezen altijd wijsheid achteraf is. Door terug te kijken op ons

verleden, ontwaren we een spiegeling van de toekomst. Hij suggereerde voorzichtig

te zijn welke elementen we kiezen uit het verleden, omdat die elementen dus onze

toekomst bepalen. Belangrijk hier is het keuze-element waarop Kierkegaard wijst.

De 20ste eeuwse Marshall McLuhan gebruikte voor het voortsnellen naar de toekomst

graag het begrip achteruitkijkspiegeldenken7. We snorren over de snelweg, zo

zei hij, en houden onze blik op de achteruitkijkspiegel gericht – die blik kan ons alleen

vertellen waar we geweest zijn en niet waar we heen gaan. Kunstenaars of geniale

mediakenners konden af en toe een glimp opvangen door de voorruit.

Ik meen dat hij gelijk heeft, dat kunstenaars en andere visionaire geesten een blik

op de toekomst kunnen werpen. Maar dat kijken doet denken aan de spiegeling van

het binneninterieur in een voortsnellende trein bij duister, je ziet vooral je eigen spiedende

blik, van de buitenwereld is weinig te onderscheiden.

Toch is tijd voor mensen altijd: heden, verleden én toekomst, en vooral de verwevenheid

van die drie. Zoveel wezenlijk mens-zijn: verlangen, hoop,… ja ook vrees, maar

eveneens de wil om iets te maken of te verwezenlijken leeft altijd weer in ons en gooit

zich opnieuw de toekomst in, gelukkig maar.

De felste vooruitgangdenkers richten zich louter op de toekomst, de fanatiekste reactionairen

keren er hun rug naartoe en lopen het verleden in. Laat ze maar gaan. Wie

overblijft, kan zich vandaag mee afvragen: altijd evenzeer met het verleden in het

achterhoofd, maar welk beeld van de toekomst willen wij?

Om te beginnen moet wat gisteren gezegd is en gemaakt werd, vandaag opnieuw in

overweging worden genomen.

Opnieuw Kierkegaard.

 

— ‘Het is beslist waar, zoals de filosofen zeggen,

dat het leven naar achteren moet begrepen worden.

Maar ze vergeten de andere kwestie,

dat het naar voren moet worden geleefd.’

 

Het is een waarschuwing voor ons die nog steeds geldt.

Opnieuw McLuhan. Is zijn achteruitkijkspiegelmetafoor uit vorige eeuw nog geldig?

Hij had allereerst moeten zeggen dat we sowieso weinig in de achteruitkijkspiegel

konden ontwaren omdat de uitlaatgassen van de auto het zicht belemmerden. Deze

metafoor heeft meer nadelen. De rechtlijnigheid ervan opgeroepen door een snelweg

die door een landschap snijdt, de associatie snelheid, het gebrek aan afritten

en de kans op file komen mee in beeld. Vooral die vorm van een achteruitkijkspiegel

waarin we slechts een rechthoekje verleden ontwaren. En ach, die voorruit, we staan

in onze tijd meestal in file, we zien net tot aan de kofferbak van onze voorligger.

De wereld is echter vol van spiegel en weerspiegeling. We zullen in deze eeuw op

zoek moeten gaan naar meer dan één metafoor, liefst een geheel van metaforen bedenken

en verzamelen die de complexiteit en de totaliteit van de wereld weerspiegelt.

Reflecteren komt van het Latijnse woord re-fléctere; terugbuigen, het betekent zowel

weerspiegelen, terugkaatsen, als bespiegelend overwegen.

Design, ontwerp is zijn breedste betekenis, is altijd spiegel van de tijd, zo las ik ergens.

Ik voegde het alvast toe aan mijn verzameling.

 

2. P lastic rozen verwelken niet

 

— O neen, je hoeft ze geen water te geven

Het is niet nodig dat je ze giet

Net zoals mijn liefde voor jou

Plastic rozen verwelken niet.

(Guido Belcanto, Plastic rozen verwelken niet.)

 

Eén minuut stilte. Ik meen het.

 

En opnieuw twee vragen.

Hoe slim is het om het gros van de wegwerpmaterialen en -producten in een van onze

meest onvergankelijke uitvindingen te maken?

(U zult zien, alle antwoorden die u bedenkt, passen mooi in wat men noemt, het kortetermijn- en het

loutervoorzichzelfdenken)

(Wie tijd over heeft kan zich afvragen waarom anderzijds zoveel gebruiksdingen zo gemakkelijk kapotgaan,

of al snel oudmodisch worden, of waarom wij ze gewoon zo snel beu worden?)

Zal ik u maar verhalen vertellen?

 

Over een Deense timmerman, bijvoorbeeld, die voor de Tweede Wereldoorlog vooral

armoede leed? Ole Kirk Christiansen noemde zijn bedrijfje naar de eerste letters van

leg(speel) en godt(goed), maar Lego draaide nauwelijks. Plastic bleek zijn redding te

zijn. In 1947 kocht hij een machine om plastic vormen te gieten. Twee jaar later bracht

hij plastic bouwblokjes met vier en acht noppen op de markt. In de jaren vijftig sloeg

het idee pas goed aan. Ten tijde van de gekte van Expo 58 was er ook in Brussel al

een Lego-department.

De jongens leerden in plastic de huizen van de toekomst te bouwen. En de meisjes?

Die oefenden intussen in een plastic leven binnen- en buitenshuis.

In 1958 kwamen de eerste Barbiepoppen uit de gieterijen van Tokyo. Hun bedenkers

kwamen echter uit Zuid-Californië. Mattel Creations werd net na de oorlog opgericht.

Het nieuwe bedrijf gokte op futuristische materialen: plexiglas, perspex, plastic…

Door een plastic ukelele op de markt te brengen, was hun bestaan verzekerd.

Maar met Barbie zouden ze pas toekomst maken. De poppen van toen bestonden

vooral uit baby’s van hard spuitgegoten plastic. Barbie was echter van draaigegoten

vinyl, haar haren waren van Saran, een zacht plastic die op het vinyl hoofdje werd

gestikt. Maar belangrijker: gezien haar leeftijd kon Barbie de gedroomde vriendin zijn

van elk meisje, met haar levensstijl, haar garderobe en accessoires stond ze midden

in haar tijd.

 

— ‘… een wezen te perfect om van vlees en bloed te kunnen

zijn en in plaats daarvan gevormd uit gaaf en onbezoedelbaar,

niet-afbreekbaar plastic.’

— ‘Ze was de toekomst in plastic gegoten,’

 

zo leest men in Voor altijd; je Barbie, Barbie’s biografie van de journaliste M.G. Lord,

een Amerikaanse vrouw die als jong meisje zelf enthousiast met Barbie speelde.

Wie in de jaren vijftig en daarna is geboren, kent geen leven zonder plastic. Wij naoorloggers

speelden met barbies en lego terwijl onze moeders nylonkousen droegen

en onze vaders wegwerpscheermesjes gebruikten.

Jawel, lang geleden, zaterdagavond, negen uur.

 

Een rijtje kinderen zit in felkleurige nylonpyjama’s met natte haartjes voor de open

haard. De nieuwe pyjama’s zijn geschenken van opa en oma die enthousiast hun

hebben en houwen plastificeren, inbegrepen hun kleinkinderen. Tot er iets van materialenkennis

en brandveiligheid bij mijn moeder begint te dagen. Het samengaan van

een houtvuurverleden en een nylontoekomst geeft levensgevaarlijke vonken.

 

Verhalen zijn weerspiegelingen van de werkelijkheid en spiegels van de tijd. Ze zijn

montages van de werkelijkheid, en ze geven filosofen al eens de kans om iets anders

te doen dan louter de werkelijkheid te demonteren. De makers onder ons kunnen niet

genoeg naar verhalen luisteren, meen ik, en er een gevoeligheid voor ontwikkelen,

ontwerpers zijn bij uitstek de vormgevers van ons leven, toen, nu, en morgen. Ook

de verhalen geven vorm aan de werkelijkheid, net zoals de werkelijkheid eveneens

vorm geeft aan de verhalen die we vertellen. Verhalen laten zien hoe we in de wereld

staan. Een andere definitie van duurzaamheid die de Vlaamse filosoof Mark van den

Bossch neerschreef, houdt hiermee ook rekening.

 

— ‘Duurzaamheid is geen concept dat we alleen maar

technisch kunnen bekijken. Dit gaat niet enkel om hoe wij de

wereld technisch benaderen, sturen en bijstellen. Dit gaat om

hoe wij de wereld leven, ervaren, ondergaan, erdoor geaffecteerd

worden. Duurzaamheid zou ik dan omschrijven als ‘een

gevoel van leefbaarheid.’

 

Als ik kon, zou ik verhalen zingen, want ook de favoriete liedjes weerspiegelen hun

tijd. Neem nu Cole Porter uit 1934.

 

— You’re the tops.

You’re the purple light of a summer night in Spain

You’re the national gallery

You’re Garbo’s Salary

You’re cellophane!

Zij - de vrouw uit het liedje - is alles voor hem. Zowel de natuur - het licht van een

zomernacht in Spanje - als de kunst - the National Gallery - al het geld ter wereld

- Greta Garbo’s indrukwekkende salaris, maar vooral: zij is voor hem als het wondermateriaal

cellofaan!

 

Nog voor het begin van de 20ste eeuw zocht men naar synthetisch plastic.

Natuurlijke soorten bestonden al langer: er was ivoor en rubber, hoorn, bot en schelp,

Egyptenaren smeerden hun sarcofagen in met hars, Grieken ontwierpen juwelen met

barnsteen… Maar rond de eeuwwisseling had men de aard van de chemische bindingen

ontrafeld en dat is het begin van plastic.

De voorloper was trouwens een Belg - Leo Hendrik Baekeland - die naar Amerika

emigreerde. We zijn daar nog altijd trots op, toch? Men vroeg hem vooral dure materialen

te imiteren, maar hij droomde van een nieuw product met toepassingen voor

een beter bestaan: gedroomde gietmaterialen, een nieuw soort linoleum, tegels die

’s winters warm aanvoelden… het eerste product was helaas een biljartbal, zwaar

en weinig veerkrachtig. Baekelands uitvinding explodeerde echter in 1907 door een

lezing voor de American Chemical Society. s’ Anderdaags kopletterde de New York

Times:

 

— ‘Here’s to C7H38O43,

de chemische formule.

 

Hoe moest je die nieuwe materialen noemen? Naar de mens die de plaats van God

innam en het nieuwe materiaal had geschapen? Bakeliet dus? Andere synthetische

stoffen volgden. Men zocht naar nieuwe namen voor deze nieuwe vormen van werkelijkheid,

zoals cellofaan, een doorzichtige kunststof voor verpakking. Het was zelf een

kunstwoord samengesteld uit oudere woorden: het eerste deel komt van cellulose van

het Latijn céllula: kleine cel, het is een stof door plantencellen afgescheiden die de

plant stevigheid verleent, - het tweede deel komt van het Griekse woord: phainoo: tonen.

Cellofaan kwam in de jaren dertig op de markt, allereerst rond een pakje Camel

gewikkeld. Het weerspiegelde een geheel nieuwe wereld. In 1940 werd het nieuwe

woord cellophane gekozen tot het op twee na mooiste woord in de Engelse taal. De

oeroude woorden moeder (mother) en herinnering (memory) bleven nog eventjes op

voorsprong.

 

Er was iets dat nog meer gekte uitlokte.

Nylon.

Zijde was exclusief en duur en vanuit Japan moeilijker te verkrijgen. Nood genereert

creativiteit. Al in 1937 werd er door de Amerikaanse firma Du Pont patent aangevraagd,

twee jaar later vergaapte iedereen zich aan de nylonkousen op de wereldtentoonstelling

in New York. The Wonder World of Chemistry.

De Vezel-66 met de onuitsprekelijke naam8 werd uiteindelijk pas na twee en een half

jaar wikken en wegen nylon genoemd. Net voor de persvoorstelling zou men er door

een taalspelletje toch uitgekomen zijn. Als variatie op No-run - geen ladders - klonk

het woord nylon in elk geval synthetisch, het kon met niets anders verward worden.

Opwinding alom.

 

Opnieuw de New York Times:

— ‘Tot nu toe is een synthetische stof altijd een imitatie geweest

van iets dat in de natuur gevonden werd…

Dit nylon is anders. Er bestaat geen chemische tegenhanger

van in de natuur… Het is (…) een zo volmaakte beheersing

van materie dat de mens niet langer totaal afhankelijk is van

dieren, planten en de aardkorst voor voedsel, kleding

en bouwmaterialen.’

Hoera.

In 1940 zorgde de nylonkous voor een verkoopstunt. De vrouwen stormden naar de

winkels, en het gigantisch aantal gefabriceerde kousen was in een mum uitverkocht.

Helaas mochten diezelfde vrouwen hun kousen al snel inleveren voor oorlogparachutes.

Nood genereert creativiteit. Tijdens de oorlog experimenteerden zowel de

aanvallers als de verdedigers met alle soorten van plastic. En in het voorjaar van 1946

blokletterde een krant:

—      ‘Vrede breekt uit, nylons te koop.’

Kranten zijn altijd een afspiegeling van de wereld.

En nu?

Wie weet nog wie Wallace Carothers en zijn medewerkers waren, de mannen die

onversaagd zochten naar de moleculaire bouw van natuurlijke materialen om ze na te

bootsten. Zij waren het die twee verbindingen uit benzol door polycondensatie ontwikkelden,

die zich specialiseerden in polymerisatie, het bouwen van kettingmoleculen.

Zijn het helden die trots met opgeheven hoofd de plastic toekomst instapten? Ach.

Carothers pleegde zelfmoord nog voor nylon op de markt kwam, en Julian W. Hill, zijn

medewerker, klonk op de 50ste verjaardag van nylon in ’88 nogal somber:

— ‘Ik denk dat het menselijk ras zal ten onder gaan

door verstikking in plastic.’

Wie had dit kunnen voorzien?

Barthes tekst uit de jaren vijftig eindigde met:

— ‘De hiërarchie van de stoffen is ontbonden, een stof komt

in de plaats van alle andere: de hele wereld kan

geplastificeerd worden, zelfs het leven, men schijnt al

begonnen te zijn met het fabriceren van plastic aorta’s.’

Een hartklep, een kunstheup, elk ding ingebouwd in ons menselijk lijf is van plastic,

het enige synthetische materiaal dat niet door ons lichaam wordt afgestoten. Niet

afbreekbaar is in deze context natuurlijk een prachtige eigenschap. Bedenk even de

bijna goddelijke status van plastic.

Maar wij, mensen, waren het die een plastic wereld creëerden, en dat vanaf het

begin en tot in de kern. We zouden trots moeten zijn, en van daaruit vol liefde en

verantwoordelijkheid op onze schepping moeten neerkijken.

Als wij de scheppers zijn,

en als plastic ook betekent:

onbegrensde toepassingen, eindvormen en kwaliteiten,

wat let ons dan om heel andere keuzes te maken?

Plastic had een avant-la-lettre duurzaam materiaal kunnen zijn en het antwoord op

vele mistoestanden. Vanuit het perspectief van olifanten, schildpadden en krokodillen

maar ook vanuit menselijk perspectief.

 

Is het bijvoorbeeld geen tijd dat we stoppen met bomen om te hakken voor ons papier

en plasticboeken drukken? We moeten blijkbaar met onze rug tegen de muur staan.

Wel, daar staan we. Pas met de oliecrisis in de jaren zeventig werd er ernstig gedacht

aan en gezocht naar plastics die niet vervaardigd werden uit petroleum. Aan het begin

van deze eeuw zijn er genoeg crisissen, meen ik, om uitdagingen te creëren voor

filosofen en ontwerpers, maar ook voor beleidsmakers, producenten en consumenten.

Het willekeurig lijstje van vragen die ik eerder aanhaalde voor de consument in de

winkelstraat geldt voor iedereen. Opnieuw.

 

— ‘Uit welk materiaal bestaat het? Hoe is het gemaakt? Hoe

is het verpakt? Kunnen we het behoorlijk gebruiken, en hoe

lang, kunnen we het dan recyclen? Of kunnen we het lichtjes

aanpassen als het nodig zou zijn, laat staan repareren.’ 10

 

Wat is the real plastic en wat zou imitatieplastic in de toekomst kunnen betekenen?

Roland Barthes verwees in zijn korte tekst al naar de mythe van de namaak die plastic

had onderuitgehaald. De vraag naar Het verschil tussen echt, waar of authentiek tegenover

vals, nep of imitatie is een kwestie die filosofen zou moeten liggen. Designers

zijn gelukkig ook vaak filosofen en in zekere zin futurologen.

Neem de Nederlandse ontwerper Peer de Bruyn, gevoelig voor materialen, en bijzonder

voor dewelke die als imitatie of minderwaardig worden beschouwd. Al in

1983 begon hij met zijn alternatief ontworpen kasten een polemische discussie met

meubelmakers die nog steeds de labeling voleik, eikfineer, imitatie-eik… gebruikten,

hoewel het verschil nog nauwelijks zichtbaar was. Met zijn polemiek wilde De Bruyn

goedkope materialen opwaarderen.

De nieuwe generatie ontwerpers bespeelt het thema materiaal vaak meesterlijk en ze

zijn vaker bewuster dan hun voorgangers van de gevolgen van hun spel. Het stemt

hoopvol.

 

Het imago van plastic is echter nog altijd vooral:

wegwerp, goedkoop, lelijk en slecht voor het milieu.

Dat was bij aanvang vaak zo omdat de technieken nog niet op punt stonden, maar erger,

het bleef zo door onverschilligheid, goedkoop winstbejag, kwader trouw… Maar

zijn die vier kenmerken die ik opsomde wezenlijk voor het materiaal?

We hebben gelijk om ons verraden te voelen, door de scheikundigen, door de ontwerpers,

door de producenten. Het is geen goddelijk materiaal, het is door en door

menselijk, en behept met al onze genialiteit maar ook met al onze gebreken.

U wilt niet eens weten hoe het met de kwaliteit van plastic in China is gesteld. Het

komt niet alleen via speeltjes en gadgets bij ons, men verkoopt het soms als grondstof

aan producerende landen die op die manier hun eigen strengere wetgeving omzeilen.

In plastic zijn minstens 87000 verschillende soorten chemicaliën verwerkt, waarvan

de meeste uiterst giftig zijn voor het milieu en voor onszelf. De weekmaker Bisphenol

A in polycarbonaat wordt ondermeer voor babyzuigflesjes gebruikt. Deze weekmaker

leidt tot van alles, waaronder kanker. Het is zo ingenieus dat het de kankercellen in

ons lichaam afschermt waardoor ze moeilijk te bestrijden zijn.

 

Wat betekent voor onze toekomstige generaties zorgen? Onze kinderen zwembandjes

geven zodat ze niet verzuipen eer ze groot zijn? Wat als die zogenaamde beschermers

giftige stoffen bevatten? Wat als de kinderhuid, dunner dan welke huid ook, gerimpeld

door het water nog sneller de gifstoffen opneemt? Kun je op een beschaving

vertrouwen die nog steeds onveilig en giftig speelgoed aan haar kinderen verschaft?

Een verontrustend citaat van de chemicus Michael Braungart11:

— ‘Als je Mattel-speelgoed test – kinderspeelgoed van

de grootste speelgoed-fabrikant ter wereld – vind je een

eindeloze hoeveelheid chemicaliën waarmee kinderen nooit

in contact zouden moeten komen. Gifstoffen die neurotoxisch

zijn – die het zenuwstelsel vergiftigen; stoffen die mutageen

zijn- die het menselijk DNA beschadigen; chemicaliën die

teratogeen zijn – die foetussen beschadigen of misvormen;

stoffen die endocrien verstorend zijn – die je hormoonhuishouding

beschadigen.’

Ben ik een kankeraar? Nee, ik wil duidelijk maken dat het zo niet hoeft te zijn, daarom

citeerde ik Michael Braungart die voortdurend zoekt hoe we met evenveel of meer

plezier, maar ook met meer zorg en verantwoordelijkheid, dingen kunnen maken. Ook

in vorige eeuw was niet iedereen die zich met plastic inhield een potentiële milieumisdadiger,

nee toch?

Ik vertel u nog een verhaal. Wanneer de boomchirurg en zelfverklaarde uitvinder

Tupper vorige eeuw met nieuwe plastics experimenteerde, vond hij: polyethyleen. Hij

was enthousiast: het materiaal was onbreekbaar, superlicht, bestand tegen hoge en

lage temperaturen, geurloos en vormvast - veel plastics uit die tijd stonken en vervormden

al snel. Tuper doopte het materiaal Poly-T omdat volgens hem ‘al te veel

waardeloze producten waren gemaakt die de naam plastic meekregen.’

Was het wegwerp? De idee erachter in elk geval niet - en de idee is vaak de motor

van het ontwerp. Het was juist de bedoeling tegen de wegwerpmentaliteit in te gaan.

Na de eerste klokvormige beker, de Bell Tumbler ‘gemaakt van Poly-T, materiaal van

de toekomst’12, bedacht Tupper een doos om voedingsresten in te bewaren. Hij koos

voor plastickwaliteit dat iets duurder was en ontwierp het met een levenslang gebruik

voor ogen. Het vrouwenmagazine House Beautiful omschreef de Wonderlier®Bowl,

de wonderkom uit het nieuwe materiaal, met erg veel referenties naar materialen uit

het verleden:

— ‘Erg fragiel en broos maar toch sterk, zoals albast

en paarlemoer met een profiel als een beeldhouwwerk en

hetzelfde aanvoelend als jade.’

Was het lelijk? Nee, dus. Ook al was het een gewoon gebruiksproduct, toch koos

Tuper er bij aanvang voor om belang te hechten aan de esthetische vormgeving. Al

in 1956 stond Tupperware mee tentoongesteld in het museum van Modern Art in New

York. Die vroege modellen zijn inmiddels collectors items. Het slimme samengaan van

vorm en functie creëerde vaak als vanzelf schoonheid.

Was het slecht voor het milieu? In elk geval was het pragmatischer dan veel milieu-

blablabla. Kleinkinderen kunnen oma’s wonderdozen die kapot gaan nog

binnenbrengen en ze krijgen nieuwe mee. De oude producten worden als het kan tot

granulaat herleidt en raken zo opnieuw de productieketen in. Tupperware beweert

geen weekmakers of andere toxische stoffen te gebruiken, en mengt niet met zware

metalen. Ze raden hun klanten aan de praktische belegdozen mee te nemen als ze

boodschappen doen.

Maar gebruiken ze voor polycarbonaat geen Bisphenol A (BPA)?

 

Natuurlijk is plastic fantastisch.

Stel u een vooroorlogse vrouw voor in de weer met houten, email of ijzeren wasteilen,

en de lichtheid, de zachtheid en ook de stilte van een zachtroze of pastelgele vormgegeven

kuipje.

 

Stel u de naoorlogse vrouw voor, met een koelkast in de keuken en af en toe visite.

Tupperware kende ook zo’n succes omdat hun simpele bekers en dozen een droomleven

belichaamden van volmaakte en handige massaproducten in de nieuwste

materialen.

Natuurlijk kende plastic een wereldwijd succes. Aanschouw de wereld. Het zit vol

relaties van dingen en mensen. Het geeft stof voor duizenden verhalen.

Ook in Afrika weet men te kiezen. Als men kilometers ver moet reizen voor water of

benzine, kiest men gemakkelijk voor een plastic jerrycan in plaats van een traditioneel

handgemaakte zwaardere versie. Waspoeder, kruiden, tandpasta wordt vaak in

kleinere hoeveelheden - in kleine zelfgemaakte plastic zakjes - doorverkocht. Wie het

continent doorkruist, weet echter dat er overal zwerfplastic te vinden is, in de dorpen

en steden, in de meren en zelfs in de woestijnen.

Ook the plastic railway in India toont wat er kan gebeuren als hardnekkige gebruiken

zich onverhoeds mengen met nieuwe materialen. De voedselverkopers langs de

spoorlijnen verkopen nog steeds voedsel aan de reizigers die vaak lang onderweg

zijn. De reizigers gooien na hun maaltijd de verpakking nog steeds uit het raam van

de rijdende trein. De heilige koeien volgen nog steeds de spoorlijn op zoek naar de

resten. Maar aangezien het voedsel nu in plastic wordt verpakt in plaats van in de

eerdere natuurlijke verpakkingen, ontstaat er een brede kleurrijke plastic bedding

links en rechts van de spoorlijn. Vanuit de lucht zou het zelfs een fraai beeld geven.

Helaas past de natuur van de koeien zich niet snel aan, de plastic tassen en andere

rotzooi gaan eindeloos van maag tot maag, tot de koeien geheel ondervoed hun

eigen graf vinden in het plastic.

 

Hoe snel past de mens zich aan? Sneller dan een koe? We hadden al het woord

zwerfvuil: alsof de dingen beslisten om zelf op stap te gaan. Het is niet echt een

woord dat verantwoordelijkheid oproept.

Nu hebben we ook de plastic soep.

Net voor de eeuwwisseling ontdekte kapitein Charles Moore in volle zee met zijn

catamaran een nieuw continent. Als u zich al afvroeg waar het grootste deel van ons

plastic terechtkwam, kapitein Moore weet het intussen. ‘De great Pacific Garbage

Patch is de plaats waar het plastic naartoe gaat om te sterven. Het is als het ware

een afvalkerkhof.’

 

Jawel, vandaag en op dit uur,

 

drijft er een hoeveelheid plastic in de Stille Oceaan met een omvang twee keer zo

groot als de Verenigde Staten.

 

Ik probeer me tot de feiten te beperken.

 

Een habbekrats (4%) bevindt zich net onder of op het zeeoppervlak, de rest (96%)

is microplastic en maakt intussen deel uit van de waterkolom. Een aanzienlijk deel

(20%) komt van schepen: onopzettelijk of opzettelijk gedumpt, het grootste deel

echter (80%) is afkomstig van land. Als er al zelf geen gifstoffen in verwerkt zijn,

is dit zeeplastic ongelooflijk getalenteerd om de zogenaamde Persistant Organic

Pollutants - of olijk afgekort tot Pops - aan zich vast te ketenen.

Dit plastic continent ontstond door oceaanstromen die het plastic samenbrengen,

ironisch genoeg op plekken het verst van de bewoonde wereld verwijdert. Het bestaat

zoals de meeste natuurlijke continenten uit een oostelijk en westelijk deel. Het

westelijk deel wordt voortdurend gevoed door ondermeer Japan, het afval is er nog

verser, groter, zichtbaarder. Ach, ach, en de natuur; zeezoogdieren, vogels en vissen

raken erin verstrikt. Het afval in het oostelijk deel is het oudst, het plastic uit de jaren

vijftig ligt er intussen uit te rusten van de hetze. Inmiddels is het meeste plastic wel

in deeltjes gebroken, soms kleiner dan 0,3 millimeter. Ach, ach en de natuur. De natuurlijke

evolutie zorgde ervoor dat de dieren die daar leven alles eten wat ze kunnen

vinden, er is niet veel voedsel aanwezig. Soms eten vogels en vissen hier meer plastic

dan natuurlijk voedsel.

Het grootste probleem is niet eens de complexiteit van het probleem, al zijn er geen

schepnetten die het verschil kunnen maken tussen het levensnoodzakelijke in de oceaan

en het overbodige plastic. Het grootste probleem is de verantwoordelijkheid. Er

is niemand die zich verantwoordelijk voelt, zeker niet voor het verleden en voor wat

de vorige generaties aanrichtten, al gaat dit natuurlijk ook over onze toekomst. Maar

nee, net als die koeien in India, gaan wij rustig door met wat we al eeuwenlang doen,

ongegeneerd verder ons voedsel uit deze soep scheppen.

De meeste mensen, die er al weet van hebben, kijken ernaar als naar een natuurramp

die zich ver van de mens voltrekt, iets onvermijdelijks en wat ons nauwelijks

aanbelangt. Het is echter wel het meest menselijk continent, en zoals het er nu uit

ziet, zelfs het meest duurzame. Het bestaat uit onze barbies, onze legoblokjes, onze

nylonkousen, onze wegwerpscheermesjes en al wat we zo gewild hebben - al was het

maar eventjes. Het wordt hoog tijd dat we het terug gaan opvissen.

Kijk maar door de voorruit. We zullen al onze slimheid moeten aanwenden, om het

plastic vandaag zo te maken, dat we het morgen nog willen. Maar kijk af en toe ook

eens in de achteruitkijkspiegel. Ook het opruimen van wat we gisteren maakten en

gebruikten zal al onze intelligentie vergen

 

Nawoord

De plasticnotities in mijn werkkamer stapelden zich zo op dat ik de behoefte van

mijn eigen volgende generatie bijna vergat. Toen mijn zoontje over zijn verwaarlozing

zeurde, vertelde ik hem dat ik ook voor hem werkte — had ik zijn toekomst niet in het

achterhoofd? Zijn gezicht klaarde onmiddellijk op: ‘Ah, je schrijft dus over piraten!’

Zo eindig ik dus. Jongens van zeven geloven ook vandaag nog dat er in de stille

Oceaan, ver weg van de beschaving, ontelbare eilanden liggen met zandstranden

waar piraten scheepskoffers vol goud en diamanten hebben verstopt, ja toch? De

wereld is vol schatten, ook nog vroeg in deze eeuw, maar de kans bestaat dat tegen

dat hij groot is, hij slechts eilanden van plastic zal vinden, vol gestikte pelikanen,

verminkte schildpadden, vergiftigde vissen en gemuteerde planten. Na mijn gebagger

in The Plastic World moet ik alvast deze conclusie trekken: wij leven vandaag

nog steeds als piraten: we bestelen de wereld elke dag zonder ervoor te betalen, we

stelen in het voorbijgaan en met onnodig geweld, boven in onze schepen wapperen

de zwarte vlaggen met wit doodshoofd.

Ik wil daarom mijn tekst eindigen met enkele beloftes aan de grote mensen.

Ik beloof mijn filosofische gevoeligheden en bekwaamheden te verbeteren, een

sterke, enthousiaste, liefdevolle taal te zoeken, te jongleren met woorden als verantwoordelijkheid

en rechtvaardigheid, dit alles om de medestanders die het gevoel

van leefbaarheid versterken, bij te staan, of dat nu politici, ontwerpers, producenten

en gebruikers zijn en, moest dat nodig zijn, hen van vruchtbare ideeën, overtuigende

argumenten en luisterrijke metaforen te voorzien.

Ik waarschuw de tegenstanders, ik zal de namen van plastic leren, ze ook luidop

leren uitspreken, ik zal aandacht hebben voor de labeling en het decoderen van de

recyclingsymbolen, mijn filosofische wapens zal ik wetten, waar ik kan beelden en tekenstormen

ontketenen, en moest het nodig zijn, de ergste scheldwoorden bedenken

om hen - of het politici, wetenschappers, ontwerpers, producenten of gebruikers zijn

- met alles wat ik in me heb wild te lijf te gaan.

 

Wordt dus vervolgd.

 

 

 

 

 

1 Definities uit Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, Prisma woordenboeken, Vreemd woordenboek en het boek Industriële vormgeving en cultuur in de 20 ste eeuw van Penny Sparke, Cantecleer, 1989.

 

2 Manzini, ontwerper en filosoof, ga onmiddellijk naar Ezio Manzini’s blog om zijn betrokkenheid met duurzaamheid te delen. (Ga niet langs start, u ontvangt geen geld.).

 

3 Het sneeuwwoordenverhaal is de bewering dat Eskimo’s een buitensporig aantal woorden voor sneeuw zouden

hebben. De bewering wordt veelal gebruikt om een standpunt dat niets met sneeuw of Eskimo’s te maken

heeft, opvallend te illustreren. De eerste bron voor dit verhaal vindt men in een werk van de antroploog Franz

Boas uit 1911. Boas zegt dat Eskimo’s vier woorden hebben voor sneeuw: aput (“sneeuw op de grond”), gana

(“vallende sneeuw”), piqsirpoq (“opwaaiende sneeuw”) en qimuqsuq (“sneeuwjacht”), en het Engels maar één.

Het is natuurlijk niet erg correct te zeggen dat Engelstaligen maar één sneeuwwoord hebben. Boas’ bedoeling

was verband te leggen tussen culturele verschillen en taalverschillen. De taalkundige Benjamin Lee Whorf

gebruikte Boas’ bewering ter illustratie van zijn theorie van Linguïstische Relativiteit: de belevingswereld van

een individu wordt in hoge mate bepaald door de taal die hij tot zijn beschikking heeft. Om onbekende redenen

breidde Whorf het aantal sneeuwwoorden uit tot ‘minstens zeven’. Het sneeuwwoordenverhaal sprak kennelijk

zo tot de verbeelding dat het voorbeeld in de loop der jaren talloze malen werd aangehaald, waarbij een toename

van het aantal sneeuwwoorden tot ‘enige honderden’ optrad. (Vrij naar Wikipedia.)

 

4 Het Brundtland-rapport is de naam waaronder het rapport Our common future uit 1987 bekend is geworden.

Het rapport is geschreven door de World Commission on Environment and Development (WCED). De populaire

naam verwijst naar de voorzitster van de commissie, de toenmalige Noorse premier Gro Harlem Brundtland. De

belangrijkste conclusie van het rapport was dat de belangrijkste mondiale milieuproblemen het gevolg waren

van de armoede in het ene deel van de wereld, en de niet-duurzame consumptie en productie van het andere

deel van de wereld. Het rapport riep voor het eerst op tot duurzame ontwikkeling. (Wikipedia.)

 

5 Abstractie komt van het Latijnse woord abstráhere, weglaten. Abstractie is het weglaten van alle niet essentiële

informatie of aspecten om meer fundamentele structuren zichtbaar te maken. (Wikipedia.)

Waar zijn trouwens de vijzen, de schroeven, de aanhechtingen of naden? Is het naadloos

gegoten plastic, en welk soort plastic dan? De symbolen die ons zouden moeten

helpen zijn vaak nog minder te verstaan.

Ik begrijp nu pas Der Grüne Punkt. Vanaf 1991 bestaat er in Duitsland een wet

waardoor verpakkingsmateriaal wordt ingezameld en zoveel mogelijk gerecycled.

Consumenten betalen mee, maar ook bedrijven en fabrikanten betalen voor het gewicht

aan verpakking dat ze op de markt brengen. Het is dus vooral een soort van losgeld

om een min of meer groen punt te zetten achter onze ongebreidelde consumptie.

 

6 Hegel zegt dat filosofen een bepaalde tijdsperiode pas ten volle begrijpen als die periode haar einde

nadert. Filosofie kan volgens hem de mens geen raad geven in wat hij moet doen, slechts ze helpen de zaken te

begrijpen die al achter de rug zijn. De gevleugelde uitspraak staat in het voorwoord van een boek over recht:

‘Nog een opmerking over het geven van richtlijnen aangaande hoe de wereld er zou moeten uitzien. Filosofie

verschijnt in elk geval te laat op het toneel. [...] Wanneer de filosofie haar doek schildert, dan is reeds een bepaalde

gestalte van het leven oud geworden, en met het schilderij laat zij zich niet verjongen, maar wel kennen.

De uil van Minerva vliegt slecht uit bij het invallen van de duisternis.’

 

7 ‘We drive into the future using only our rearview mirror.’ Wij zien het heden in de achteruitkijkspiegel, wij

marcheren achterstevoren de toekomst in. De Canadese wetenschapper Marshall McLuhan zei hiermee dat

mensen technologische innovatie altijd begrijpen door de achteruitkijkspiegel. We kunnen met andere woorden

de toekomst voorzien in de mate waarin we huidige en historische ontwikkelingen begrijpen, maar houden daarbij geen rekening met volstrekt nieuwe ontwikkelingen. Volgens McLuhan lijden we hiermee aan het ‘horseless carriage syndrome’, het auto-koets-syndroom naar de auto die in de beginperiode vooral opgevat werd als een rijtuig zonder paard ervoor.

 

8 Adem in: poly-hexa-methyl-enea-dipamide. De meeste nylonsoorten worden gesynthetiseerd door condensatiepolymerisatie

(polycondensatie) van een dicarbonzuur en een diamine. Er ontstaat een copolymeer waarbij

de beide monomeren elkaar in de polymeerketen afwisselen. De meest bekende variant is nylon 6,6 waarbij

de eerste 6 staat voor de 6 koolstofatomen van het diamine (1,6-hexaandiamine) en de tweede 6 voor de 6

koolstofatomen van het dicarbonzuur (adipinezuur) . Er is ook nylon 4,6, bestaande uit 1,4-butaandiamine en

hexaandizuur. De algemene reactie voor de vorming van polyamide uit dicarbonzuur en diamine is:

Hierbij wordt naast de nylon ook water gevormd. In plaats van een dicarbonzuur kan ook een dizuurchloride

gebruikt worden, dan wordt waterstofchloride in plaats van water gevormd. Een andere veel gebruikte nylonsoort

is nylon 6. Deze nylon wordt gemaakt door polymerisatie van caprolactam. Deze polymerisatie is geen

condensatiepolymerisatie, maar een zogenaamde ringopeningspolymerisatie. Adem uit.

 

9 De naam nylon werd op 27 oktober 1938 wereldkundig gemaakt door Charles Stine, directeur van de chemische

afdeling van DuPont. Over de naam doen veel verhalen de ronde. De officiële ontstaansgeschiedenis

is de volgende: toen gezocht werd naar een geschikte naam werd een commissie van wetenschappers samengesteld.

Een van de commissieleden stelde norun voor, omdat men dacht dat de nieuwe kousen nauwelijks

zouden ladderen. Toen bleek dat de kousen dat wel deden, stelde men nuron voor. Dit leek echter teveel op

neuron. Vervanging van de “r” door een “l” gaf de naam nulon, echter “new nulon” klonk niet lekker. Er werd

gesuggereerd om de “u” te vervangen door een “i”, maar dat gaf weer problemen bij de uitspraak (moet deze

“i” als “need” of als “nine” uitgesproken worden?). Uiteindelijk verving men de “i” door een “y”. Men meende

soms dat nylon een acroniem was: “Now You Lose Old Nippon” of “Now You Lousy Old Nippon”, nylon vormde

een bedreiging voor de Japanse zijde-industrie en deze periode werd gekenmerkt door sterke anti-Japanse

gevoelens. De impact was dusdanig dat DuPont in ’41 in een Japanse krant ontkende dat nylon een beledigend

acroniem was. Een andere legende zegt dat nylon de afkorting vormde van New York en LONdon. De Duitsers

stonden voor in onderzoek, en als reactie zou men een grootschalig Engels-Amerikaans project opgezet hebben

met de naam: nylon.

 

10 De oorspronkelijke editie van Cradle to Cradle van Michael Braungart en William Mcdonough verscheen

in ‘plastic’, synthetisch papier gemaakt van polymeren. Het boek werd bedrukt met herbruikbare inkt. Alle

materialen kunnen worden gebruikt voor de productie van een nieuw boek met gelijke kwaliteit. C2C ofwel afval

= voedsel, gaat vooral over toekomstig beter produceren al denkt men ook met terugwerkende kracht: “Neem

bijvoorbeeld het uiterst giftige PVC - als je daar waterstof aan toevoegt, kun je koolwaterstof en zoutzuur maken.

Van de koolwaterstoffen kun je nieuwe materialen maken, of je kunt het als brandstof gebruiken. Het zoutzuur is

te gebruiken in technische processen. Dat soort ‘reparatietechnieken’ moeten we verder uitwerken.” De chemicus

Braungart aan het woord in Plastic Soep van Jesse Goossens.

 

11 In Plastic soep van Jesse Goossens.

 

12 Met deze slogan werd de beker op de markt gebracht. Polyethyleen was het eerste materiaal, midden jaren

vijftig werd er ook met polystyreen gewerkt. Vanaf de jaren zestig koos men vaker voor polypropyleen, omdat het

stijver, vormvaster en beter te kleuren was. Vandaag gebruiken ze siliconen, polycarbonaat, complex copolymeren,

polyoxymethyleen, polyamide (nylon), elastomeren en zachte rubbers.

 

Bibliografie

Roland Ba rthes , Mythologieën, vert. door Kees Jongenburger, Uitgeverij IJzer, 2002

Alison J. Cla rke , Tupperware, the promise of plastic in 1950s America, Smithsonian Institution Press, Washington & London, 1999

Gerry De Mol (ed.), De houdbaarheid van duurzaamheid, SP Kempen, Turnhout, 2008,

met oa teksten van Peter Tom Jones en Marc Van den Bossche

Jesse Goossens , Plastic soep, Lemniscaat, Rotterdam, 2009

M.G. Lord, Voor altijd, je Barbie, de officieuze biografie van een echte pop, vert. door Arno Beuken en Karin Spaink, Rainbow Pocketboek,

Uigeverij Maarten Muntinga bv, Amsterdam, 1996

Neil Postman , Denken voor de spiegel, inspiratie van 18de eeuwse filosofen, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2000

Renn y Ramake rs & Gijs Bakke r (ed.), Droog Design, Spirit of the Nineties, 010 Publishers, Rotterdam, 1998

Penn y Spa rke , Industriële vormgeving & cultuur in de 20ste eeuw, Cantecleer bv de bilt, 1990

Tuppe rwa re Transpa rant , met oa teksten van Lieven Daenens en Moniek E. Bucquoye, Stichting Kunstboek, Oostkamp, 2005

Pete r Watson , Grondleggers van de moderne wereld, vert. door Margreet de Boer, Rob de Ridder en Joost Zwart, Spectrum/Manteau, 2001

PlasticWelten, ElefantenPress, Berlin, 1985