Tom Lambeens - Op zoek naar de herwaardering van de zwaarte binnen de beeldende kunst

21.03

Als een van de eerste grafisch vormgevers ooit in ons land behaalde Tom Lambeens een doctoraat in de kunsten aan de Universiteit Hasselt in 2013. Onder de titel 'Sensatie en beeldende zwaartekracht' ging Lambeens op zoek naar een nieuwe vorm van zwaarte en complexiteit die hij in zijn kunst kan gebruiken. Aan de hand van een vijftiental beelden loodsen we u door zijn onderzoek en zijn daaraan verbonden grafische werk.

Voor Tom Lambeens is ieder beeld eigenlijk een beeldverhaal. Uit de manier waarop de vormelijke elementen op elkaar inspelen, ontwaart Lambeens meteen een heel verhaal. Daarom gebruikt hij voor beeldverhalen, het oorspronkelijke voorwerp van zijn onderzoek, ook liever de term 'verhaalbeeld'. Want voor hem doet het talige er minder toe, de beelden op zich vertellen al een heel verhaal.

 

Afbeelding 1: Tom Lambeens, 'Arme indiaan', 2008.

Een mooi voorbeeld van zo'n verhaalbeeld is 'Arme indiaan', dat Tom Lambeens in 2008 maakte. Door grafische elementen, vaak details, te veranderen in de tekeningen vertelt hij het verhaal van een auto, een taxi, een betonmolen en een indiaan die op het einde op een onfortuinlijke manier om het leven komt. Al is het verhaal niet voor iedereen zo eenvoudig te ontcijferen.

 

Afbeelding 2: Tom Lambeens, 'Compositieschema voor Arme indiaan', 2008.

Grafisch valt vooral de symmetrie op, en het feit dat de eerste en laatste pagina – op de lichten en het bloed na – exact hetzelfde zijn. 'Ik wilde iets maken dat interessant en complex genoeg was om naast het werk van Cézanne te kunnen bestaan. Want zijn werk fascineert me mateloos, maar het verkrampte me tegelijk binnen mijn eigen artistieke praktijk. Daarom heb ik uiteindelijk niet voor één beeld, maar voor een grotere structuur gekozen', legt Lambeens zijn keuze voor het beeldverhaal – of in zijn terminologie verhaalbeeld - uit.

 

Afbeelding 3: Tom Lambeens, 'Front back: spread uit het rode hoofdstuk', 2009.

Om aan de beeldende macht van het werk van onder meer Cézanne te ontsnappen koos Lambeens er daarnaast ook meer en meer voor om zijn werk op te bouwen volgens codes. In 'Front back', dat hij maakte in het kader van Toegepast 14, dreef hij die werkwijze tot het uiterste. Hij plaatst er afzonderlijke beeldelementen in een complexe samenhang. Al dankt het werk net aan die overcodering en complexiteit zijn beeldende kracht.

 

 

Afbeelding 4: Tom Lambeens, 'Front back: compositieschema VI', 2009.

Binnen zijn werk voorzag Lambeens drie hoofdstukken, waarvoor hij drie verschillende soorten papier gebruikte en die van geel over rood naar blauw variëren. Ook binnen de hoofdstukken zelf speelt Lambeens met de kleuren, die hij telkens van bovenuit op de pagina laat komen. Vervolgens bepalen twee krachten het grafische spel met de kleurrijke vierkanten: een die alles omhoog stuwt, en een die tegen de leesrichting in gaat. Door er bovendien voor te zorgen dat de kleurrijke vlakken doorschijnen naar de andere pagina maakte Lambeens het grafische spel nog complexer. Van een licht en dartel begin evolueert het werk naar een beeldende zwaarte. En zo kan het gezien worden als een metafoor voor het leven, van de geboorte tot de dood.

Via de zoektocht naar codes, maar ook naar sensaties en visuele krachten, ondervond Lambeens in 'Front back' de aanwezigheid van de beeldende zwaartekracht. Op een denkbeeldige basis plaatste hij geometrische elementen die hun zwaarte enerzijds aan hun kleur danken (blauw is bijvoorbeeld zwaarder dan geel) en anderzijds aan hun grootte. Op die manier streeft Lambeens naar een niet-idealistische (want niet gebonden aan een ideaal als een vaste structuur zoals bijvoorbeeld een horizon) beeldende zwaarte.

 

Afbeelding 5: Giotto, 'Bevrijding van de vermeende ketter Petrus', 1295-1300.

Tot in de renaissance konden de fysische en de beeldende zwaartekracht aan elkaar gelinkt worden, daarna zijn het twee autonome begrippen geworden. De beeldhorizon viel niet langer noodzakelijk samen met de beeldbasis, en hiermee werd ook de zwaartekracht op zijn kop gezet. Als reactie op deze evolutie onderscheidt Lambeens twee scholen: de wordings- en de zijnsschool. In de wordingsschool trachten de kunstenaars de veranderlijke aard van de werkelijkheid ten volle te onderschrijven, en volharden ze dus in de aanwezigheid van beeldende zwaartekracht. Terwijl de zijnsschool berust op een geconstrueerde houding tegenover het wispelturig gemoed van de werkelijkheid, en daarom probeert om de beeldende zwaartekracht te negeren. Wanneer deze twee elementen perfect samenvallen, ontstaat er een soort beeldende mystiek.

 

Afbeelding 6: Michelangelo, 'Rondanini Pietà', 1564.

'De eerste uiting van zwaartekracht binnen de wordingsschool vinden we bij Giotto, die met het gebruik van blauw en de plasticiteit van de lichamen zwaarte suggereert. Later gaan Caravaggio en Rembrandt zelfs nog een stapje verder door echt zwart te gebruiken om zwaarte te bekomen. Bij Michelangelo komt deze school tot een hoogtepunt: door een dode al staand – en dus vitaal verticaal - af te beelden in zijn 'Rondanini Pièta' zet hij de zwaartekracht op zijn kop, en slaagt hij erin om zwaarte om te zetten in strijd en kracht', vertelt Lambeens.

 

Afbeelding 7: Sandro Botticelli, 'De geboorte van Venus', 1485.

'Binnen de zijnsschool wordt de compositie gezien als een abstract fenomeen, presentatie en representatie hebben er geen verband met elkaar. De kleur en de lijnen (presentatie) stemmen er niet per se overeen met datgene dat afgebeeld of gerepresenteerd is. Zo is de presentatie bij Botticelli bijvoorbeeld zo sterk dat je je geen vragen meer stelt over het feit of het nu al dan niet klopt. Bij Rafaël, en zijn vermogen om lichtheid in een tafereel te brengen, kwam deze school tot een hoogtepunt. Alles en iedereen zweeft, maar dankzij de harmonie binnen het tafereel wordt dat niet als storend ervaren', stelt Lambeens.

 

Afbeelding 8: Paul Cézanne, 'Stilleven met gordijn, kruik en fruitschaal', 1893-1894.

'Uiteindelijk is het Cézanne die erin slaagt om in zijn late werk die twee scholen terug samen te brengen. In zijn werk is de presentatie zodanig sterk dat het gepresenteerde overeind blijft, maar tegelijk zit er ook enorm veel zwaarte in. Cézanne creëert zijn eigen horizon binnen elke penseeltoets, want die houdt telkens de kleuren eromheen vast. Zo ontstaat een krachtig netwerk, en blijven de dagelijkse voorwerpen visueel op hun plaats. Doordat vorm en kleur (presentatie) bij Cézanne zo krachtig – en dus zwaar – zijn, wordt de zwaarte van de kracht zoals afgebeeld op de korrel genomen (representatie). Deze evolutie hing samen met de leer van Nietzsche, die het op onze idealen had gemunt en daarmee ook op onze basis als vaste grond onder onze voeten.

 

Afbeelding 9: Claude Monet, 'Waterlelies', 1903-1907.

Anders dan Cézanne vallen veel creatievelingen wel ten prooi aan de lichtheid van de zijnsschool. Zoals de impressionisten, en dan vooral Monet, bij wie in zijn waterlelies de wolkjes onderaan het doek prijken en de horizon erboven. Lichtheid alom ook in het kubisme en surrealisme waar de orde van de dingen volledig wegvalt.

 

Afbeelding 10: Giorgio Morandi, 'Stilleven', 1962.

'Anderzijds zijn heel wat kunstenaars, en ook de typografie, met het vasthouden aan een horizon blijven steken in de zestiende eeuw. Zo gaan kunstenaars als Hockney en Freud, hoezeer ik ze ook bewonder, volgens mij bijvoorbeeld niet op zoek naar een adequaat antwoord, maar doet iemand als Morandi dat wel. Hij gaat doelbewust op zoek naar een nieuw soort horizon en een nieuw soort kracht, waardoor zijn doeken dynamisch worden. Stilaan maar zeker gaat hij de zwaarte als kracht gebruiken. Doordat de soortelijke dichtheid van de licht geschilderde stukken groter is dan die van de donkere stukken bij Morandi, houden de lichte de donkere recht. Door die krachtwerking in de objecten zelf heeft hij geen klassieke horizon meer nodig, en ontstaat er een dynamische horizon en dus ook een eigentijdse, valabele zwaartekracht.'

 

Afbeelding 11: Tom Lambeens, 'De aanval: pagina 1', 2012.

In zijn werk is ook Tom Lambeens op zoek naar die nieuwe zwaarte(kracht). Daarom greep hij voor 'De aanval' bijvoorbeeld terug naar een balpen om te tekenen, tracht hij in de witruimte – net zoals Morandi – zwaarte te leggen en creëert hij mobieles die een kracht  in zichzelf hebben en die niet in verhouding staan tot bijvoorbeeld het plafond zoals bij Calder. Via deze zoektocht wil Lambeens tot een niet-idealistische zwaarte komen, waarbij kracht en horizon niet langer van elkaar te onderscheiden vallen.

 

Afbeelding 12: Tom Lambeens, 'De aanval: pagina 5', 2012.

Door zwaarte in te zetten als kracht (wordingsschool) en te combineren met lichtheid (zijnsschool) ontstaat er een soort polyfonie tussen de twee scholen. Die twee scholen combineert Lambeens in 'De aanval': bovenaan kunnen we het historische traject van de wordingsschool volgen, onderaan dat van de zijnsschool. Langzaamaan komen ze samen, en begint de leegte een meer cruciale rol te spelen.

 

Afbeelding 13: Tom Lambeens, 'De aanval; pagina 15', 2012.

Op de laatste negen pagina's wordt het hoe langer hoe minder duidelijk van waar de kracht komt, en wat er nu duwt of trekt. De kracht zit in de voorwerpen zelf. Onder impuls van een verticale horizon wordt de 'leegtheid' (namelijk de verzadigde lichtheid) als drijvende kracht ingezet. Waardoor de vormen naar omhoog lijken te vallen.

 


Afbeelding 14: Tom Lambeens, 'Plagrond: speer #17', 2013.

Momenteel werkt Lambeens aan een reeks mobiles waarmee hij, vanuit vormelijke premissen, probeert om de beeldende zwaartekracht ten opzichte van de fysische zwaartekracht uit te spelen. Om dat te kunnen doen creëerde hij zogenaamde 'plagronds'.

 

Afbeelding 15: Tom Lambeens, 'Plagrond #2', 2013.

Die 'plagronds' zijn vormen die zonder staan of hangen kunnen, en dus zonder grond of plafond - hun naam is dan ook een samentrekking van deze twee begrippen. Desondanks zijn ze toch in staat om kracht op zichzelf uit te oefenen. Op deze manier tracht Lambeens een zwaarte als kracht te ontwikkelen.

tekst: Elien Haentjens