
















Bonnefantencollectie gaat vreemd met Panta Rhei
Voor de tweede keer leent het Bonnefantenmuseum in het Nederlandse Maastricht een deel van haar collectie uit aan de Landcommanderij van Alden Biesen in het Belgische Bilzen. Geografisch ligt Bilzen op een steenworp van Maastricht, maar cultureel zijn de grenzen beter voelbaar. Culturele uitwisseling tussen steden in de Euregio blijft vaak beperkt tot intenties en het publiek lijkt nog steeds niet graag de grens over te steken. Daar probeert deze samenwerking verandering in te brengen: Alden Biesen is een toeristische trekpleister in de regio en deze uitwisseling is een manier om de collectie hedendaagse kunst van het Bonnefanten op een andere manier en aan een ander publiek te tonen.
De tentoonstelling ‘Het verborgen leven van de dingen – Panta Rhei’, gecureerd door Paula van den Bosch van het Bonnefantenmuseum, heeft in de Waterburcht van Alden Biesen een onderkomen gevonden. Net voor de deur komt u het eerste werk tegen: ‘Doorgang, poort en boot’ van Piet Killaars lijkt een directe verwijzing naar het thema van de tentoonstelling. Met zijn uitspraak ‘Panta Rhei’ of ‘alles stroomt’ doelde de Griekse filosoof Heraclitus (6/5e eeuw v.Chr.) op de continue beweging en verandering van de natuur en het leven. Wie met deze gedachte in het achterhoofd de tentoonstelling binnenstapt, kijkt wellicht met een meer flexibele blik.
De werken staan opgesteld in de vroegere leefruimtes van de landcommandeur uit de 18de eeuw, die enkele jaren geleden nog gerestaureerd zijn. Deze barokke decors met hun klassieke portretten, overdadig behang en marmeren open haarden drukken meedogenloos hun stempel op de werken. Aan de ene kant is het een harde confrontatie tussen esthetische stijlen, aan de andere kant een schijnbare symbiose. Een ding is zeker: dit is geen gewone museumsetting.

Piet Killaars, Panta Rhei
Perceptie
Zo staat het werk ‘Panta Rhei’ van Franz West - uitgangspunt van deze tentoonstelling - doorgaans tegen een muur. Meer bepaald een witte muur, volgens de modernistische regels van de White Cube. Normaal loopt de ‘fictieve’ witte muur van het werk zelf (met ‘fictief’ schilderij) vloeiend over in de omgeving. In Alden Biesen staat de muur met het schilderij en de stoelen middenin de kamer, waardoor er achter het werk een lege ruimte gaapt. Het statige portret van de landcommandeur, die haast spottend lijkt neer te kijken op de minimalistische scène, versterkt dat gevoel nog.
‘24 hours I’ van Fransje Killaars bestaat uit op elkaar gestapelde bedden waarop veelkleurig geblokte tapijten liggen. Daarnaast bevindt zicht een menselijke figuur, een paspop die gekleed is in één van de tapijten. De drapeerwijze van de stof doet denken aan een boerka: die betekenis moet je niet ver zoeken in een werk waarin het textiel fungeert als symbool voor vrouwelijkheid. Ook dit werk staat doorgaans anders opgesteld: op de foto in het zaalplan van de tentoonstelling staat de figuur in het midden naast de bedden. In deze ruimte is dat niet mogelijk. Daarbij kunnen we ons de vraag stellen of dit geen gevolgen heeft voor de perceptie door de toeschouwer. Voor Fransje Killaars vormt het alleszins geen probleem. Ook de symboliek van de boerka is een latere toevoeging.

Fransje Killaars, Panta Rhei
Participatie
Behalve op architecturaal vlak kleurt deze expo ook op het vlak van de relatie tussen de toeschouwer en de werken buiten de lijntjes. Daarbij is participatie een sleutelwoord. Veel werken vragen om een actieve deelname van de toeschouwer. De gezellige setting met schilderij, haardvuur en stoel van Capitaine Lonchamps nodigen - zeker op deze locatie - uit om erbij te gaan zitten. De spiegel van Sylvie Macias-Diaz sleurt je ongevraagd het werk in.
Hoewel veel werken hun betekenis net aan deze participatie ontlenen, valt het op dat de toeschouwers in Alden Biesen vaak gevraagd wordt om dat net niet te doen. Zo werden ‘De Bonnefantenkarren’ van Atelier van Lieshout ooit speciaal voor het Bonnefantenmuseum gemaakt om ermee te rijden. In Alden Biesen kan dit niet. Het rijverbod heeft niet alleen te maken met de kwetsbaarheid van het werk, maar ook met de kwetsbaarheid van het decor: de vloer van de kamer verdraagt wieltjes noch schoenen en moet met speciale slofjes betreden worden. Deze logistieke keuze lijkt haast ongehoord in haar praktische eenvoud. De architecturale eigenschappen van de locatie zetten in deze tentoonstelling dus de lijnen uit.
Als toeschouwer voel je nog steeds die distantie ten opzichte van het kunstwerk. Je wil fysiek op een veilige afstand gaan staan en ‘aanschouwen’, interpreteren en beoordelen. Vaak laat de ruimte in de verschillende kamers van deze tentoonstelling dit niet toe. Je wordt op een bepaalde manier langs ‘Untitled’, een Japans paviljoen van Suchan Kinoshita, geleid: in eerste instantie kan je binnenkijken, daarna word je haast naar binnen gedrukt door de smalle doorgang tussen de constructie en de muur van de kamer en tot slot kom je in een zee van ruimte terecht, van waaruit je kan binnenkijken zonder je een voyeur te voelen. Dat je het paviljoen niet (meer) kan betreden, maakt de verwevenheid van de fysieke en mentale ruimte die tussen de toeschouwer en het werk ligt des te ongemakkelijker.

Atelier Joep van Lieshout, Panta Rhei
Nieuwe betekenissen
Veel kunstwerken die hun betekenis deels ontlenen aan wat de bezoeker ermee doet of kan doen, lijken in deze tentoonstelling ontdaan van hun bestaansvoorwaarde. Of moeten we het anders bekijken? Misschien is hun betekenis veranderd, is er ruimte gecreëerd voor nieuwe interpretaties en opent deze setting net nieuwe mogelijkheden om naar het werk te kijken. Deze bedenkingen brengen ons op hun beurt tot de vraag wat van een kunstwerk een kunstwerk maakt. Moet het een vastomlijnd, uitgewerkt idee zijn, ontsproten aan het brein van een creatief genie, dat als laatste en definitieve stap gematerialiseerd wordt?
Deze werken en hun betekenis ontstonden gaandeweg en veranderen nog elke dag: curatoren passen ze in binnen nieuwe locaties en toeschouwers interpreteren ze. Eens uitgevoerd rijst de vraag of het materiële karakter van dat abstracte, ongenaakbare werk zo angstvallig moet worden verborgen. Als ‘alles stroomt’, waarom dan niet ook verval toelaten? Dat ‘Panta Rhei’ of de ‘Bonnefantenkarren’ door veelvuldig gebruik van de toeschouwer zullen verslijten, maakt net deel uit van de betekenis van het werk.
Met ‘panta rhei’ zou je dus net deze constante stroom van fluctuerende betekenissen kunnen aanduiden. Dit maakt het thema van deze tentoonstelling des te rijker, Panta Rhei relativeert. De gedachte dat betekenissen niet vastliggen, maar wisselen naargelang context, locatie, perspectief en blik van degene die kijkt, maakt dat de idee van het kunstwerk relatief wordt. Deze tentoonstelling bevrijdt het kunstwerk dan ook in zekere zin van zijn benauwende status.
Judith Lindekens
'Het Verborgen Leven van de Dingen, Panta Rhei, ', nog tot 4 december in de Landcommanderij Alden Biesen

Bas de Wit, Panta Rhei
(foto 1 Mai-Thu Perret, Panta Rhei)