Genk door schildersogen – interview met Kristof Reulens (interview)

'Genk door schildersogen' blikt terug op de rijke geschiedenis van de landschapsschilders in de mijnstreek. De openingstentoonstelling van C-mine gaat op zoek naar een vergeten verhaal. Of is onbekend een beter woord?

Sinds de opening van het Emile Van Dorenmuseum in 1976 vertrekt het verhaal van de openluchtschilders steevast van de 'grote drie': Emile Van Doren, Armand Maclot en Willy Minders. Dit is historisch op zijn zachtst gezegd onvolledig. Minstens twee generaties voor de komst van Emile Van Doren trokken schilders naar Genk en legden ze de natuur en de lokale samenleving vast op doek. Het is dit verhaal dat 'Genk door schildersogen' in de kijker zet.

Als curator is Kristof Reulens de drijvende kracht achter de tentoonstelling. De Genkse erfgoedcoördinator werkte er drie jaar lang met hart en ziel aan. Hij geeft maar al te graag een rondleiding door de eigenzinnige verzameling schilderijen en tekeningen. Stuk voor stuk vertellen ze een eigen geschiedenis, waarvan de puzzelstukken aan het einde van de rit wonderwel in elkaar passen.

Therapeutische aantrekkingskracht

In het eerste deel van de expositie worden de zintuigen meteen op scherp gezet. Het imposante drieluik 'In het dennenbos' (1884) van François Halkett heeft een magische aantrekkingskracht. Volgens Kristof een goed voorbeeld van de troeven van het 19e eeuwse Genk. "De gegoede burgerij zag Genk als een kuuroord en een plek om tot rust te komen. Het echte verhaal achter dit werk staat nergens zwart op wit beschreven, maar dat maakt het net zo interessant. De personages drukken duidelijk de hoop op genezing uit. Het schilderij straalt een terugkeer uit naar de therapeutische kracht van de natuur en is de oudste getuige van de heilzame werking van de zuivere Genkse lucht. De natuur was dus niet alleen voor de schilders een onderzoeksplek."


François Halkett – In het dennenbos – olie op doek © Gemeentemuseum Sint-Jans-Molenbook

Genk was om diverse redenen aantrekkelijk. Een eerste generatie schilders ontdekte de Limburgse Kempen als een eindeloze oase van natuur en rust, waarin het typische boerenleven in al zijn eenvoud werd verheerlijkt. "In het werk van Jean-François Roffiaen komt dit mooi tot uiting", verduidelijkt Kristof. "Hij bezocht Genk al vanaf de jaren 1850. Het Kempische boerenleven was voor hen nog een vreemd gegeven. In combinatie met de natuur vormde het de ideale voedingsbodem voor schilderijen waarin panorama's met eindeloze horizonten en boerentaferelen de boventoon voerden. De werken van de eerste generatie (1850-1870) maken de voorzichtige ontdekking van Genk duidelijk. Het is pas in een tweede fase, van 1870 tot 1890, dat er een soort invasie op gang komt."

Hotspot 'la Cloche'

De pleisterplek bij uitstek hiervoor was Hôtel de la Cloche. Niet alleen uit briefwisselingen bleek dat het hotel erg geliefd was. Toen uitbater Jean Gilkens overleed, verscheen er in 1890 zelfs een paginavullende bijdrage over het hotel in L'Art Moderne. "Het is intrigerend om te zien hoe het hotel als een soort ankerpunt fungeerde voor de tweede generatie schilders", aldus Kristof. "In zijn artikel geeft Octave Maus een bloemlezing van een heleboel kunstenaars die in de glorieperiode in het hotel verbleven: Joseph Coosemans, Pierre Oyens, Jules Montigny, Théodore Baron en Louise Héger zijn er maar enkelen van."

Op deze kleurrijke periode zoomt de expo maar al te graag in. Het laatste deel van de expo vertelt verschillende verhalen over het hotel. Naast portretten van de verschillende eigenaars van Hôtel de la Cloche en het latere Hôtel des Artistes, springen vooral de vier portrettekeningen van Armand Maclot in het oog. Ze vallen op door hun bedrieglijk simpele, maar rake schetsen. "Maclot beeldt hier de dichter Prosper Van Langendonck af, die waarschijnlijk in 1904 naar Genk afzakte op aanraden van zijn dokter. De bedoeling was om van zijn depressie af te raken."


Armand Maclot – De wals van de bierglazen – potlood op papier © AMVC-Letterenhuis Antwerpen

Een leuk weetje, als je bijvoorbeeld kijkt naar een tekening van een dronken Van Langendonck met een zaag in de hand. "Het is duidelijk dat er al eens mocht gelachen worden", nuanceert Kristof. "De tekeningen hebben iets speels en vulgariserend in zich, maar duiden vooral ook op het feit dat Genk aan het einde van de 19e eeuw een artistieke kweekvijver was geworden waar artiesten uit verschillende disciplines elkaar ontmoetten. Dat kon alleen maar verrijkend werken."

Hôtel de la Cloche is onder verzamelaars en musea vooral bekend omdat de kunstenaars werken in het hotel achterlieten. "Het gegeven van het hotel als een soort museum mag je vrij letterlijk nemen", verduidelijkt Kristof. "Zo werden er op deuren van kamers schilderijen achtergelaten." Natuurlijk gunt 'Genk door schildersogen' de nieuwsgierige toeschouwer een blik in het aparte museum van het hotel, door een werk dat oorspronkelijk op een deur van het hotel is geschilderd tentoon te stellen, uniek.

De vier generaties

Het geleidelijke proces dat Genk zowel sociaal als cultureel doormaakte, wordt in een tweede luik van de expositie mooi in beeld gebracht. Door vier werken horizontaal naast elkaar te plaatsen, krijg je in een oogwenk een overzicht van de vier generaties landschapsschilders die Genk aandeden. Het lijkt de perfecte harmonie tussen de ruimtelijke indeling van een expositieruimte en de kracht van de getoonde doeken, een bewuste keuze volgens Kristof. "We wilden met 'Genk door schildersogen' vooral de typische elementen van het plein airisme in Genk naar voor brengen. Dat vond ik belangrijker dan de bekendste werken te tonen. Door telkens een typerend werk van een generatie voor zich te laten spreken en ruimtelijk te laten overvloeien in een volgende generatie, krijg je een heldere indruk van de historische evolutie. Het realisme van de eerste generatie tast Genk als schildersoord nog voorzichtig af, terwijl de tweede generatie een florerend Genk op doek vastlegt."

Het doek 'Interieur in de Kempen' (1859) van Jules Breton legt het boerenleven pur sang vast. Van op een afstand en met een realistisch kleurenpalet kijken we binnen bij een landbouwersgezin dat rond de haard uitrust van het harde labeur. In de werken van Isidore Verheyden is het realisme opgeschoven naar een vrijere impressionistische stijl en zo was het idyllische plaatje van de tweede generatie compleet.


Jules Breton – Interieur in de Kempen, te Genk (1859) – olie op doek © Musée de Cambrai

Tussen 1890 en 1914 treedt een derde generatie naar voor die Genk als toeristische plek in de verf zet. "Het aanzien van Genk was door de massale komst van kunstenaars veranderd. Je kan spreken van een soort sneeuwbaleffect: de oorspronkelijke schilders zonden hun leerlingen naar Genk en ook de toeristen kwamen in hun kielzog mee. De schilderijen propageerden immers een beeld dat veel mensen  aansprak. In deze periode werden ook imposante villa's opgetrokken als buitenverblijf voor de gegoede burgerij. Tijdens het interbellum treedt tenslotte een vierde generatie op de voorgrond. Onder invloed van de mijnbouw was het verval van het Genkse landschap ingezet en komt het verhaal van Genk als idyllisch schildersoord stilaan ten einde. Armand Maclot en Emile Van Doren zijn het gezicht van deze laatste stroming."

Mythe of realiteit?

Het aandeel van de landschapsschilders in de transformatie van Genk als natuurgebied tot Genk als toeristische trekpleister is dus onmiskenbaar, maar klopte het idealistische beeld wel of is het een historische constructie? "Wanneer je naar de doeken kijkt, moet je natuurlijk beseffen dat het verhaal erachter een beetje geromantiseerd is. De natuur- en boerentaferelen vertonen een bepaalde authenticiteit die de werkelijkheid overstijgt. Dat is tegelijkertijd de kracht en de charme van het plein airisme in Genk. Het meest treffend komt dit tot uiting in de doeken van de vierde generatie. Een schilder als Emile Van Doren wendde letterlijk de blik af van de mijnen en sprong in de bres voor het ongerepte Genkse landschap. De taferelen moesten echter ook herkenbaar zijn voor de Genkenaars zelf en dus moet je naar de werken kijken als een symbiose tussen mythe en realiteit."

Historische knipoog

Natuurlijk kan je er niet omheen: de setting van de tentoonstelling (de oude mijnsite van Winterslag) is wel een heel symbolische locatie voor de expo. "Het creëert inderdaad een zeker spanningsveld tussen de vergane glorie van de Genkse landschapsschilders en de verdwenen mijnindustrie", treedt Kristof bij. "Het is niet zo dat je het moet bekijken als een afrekening met de geschiedenis, maar een knipoog is het wel."

Tegelijkertijd loopt in Coalface de fototentoonstelling 'Mijnbeeld', die net het veranderende landschap onder invloed van de mijnbouw op de gevoelige plaat vastlegt. Moesten de fotografen de taak van de schilders overnemen omdat die zich niet meer durfden te wagen aan het industriële landschap? "De twee exposities contrasteren qua thema, inhoud, vorm en techniek, maar ze maken onlosmakelijk deel uit van een historische en esthetische evolutie. Het is de kracht van de schilderkunst om de realiteit zo te interpreteren dat wens en werkelijkheid in elkaar overvloeien. De mijnbouw sloeg tot op zekere hoogte de artistieke aspiraties van de schilders stuk, maar toch bleven ook lokale landschapsschilders steeds actief. Het is dus niet zo dat de schilders hun penselen afstonden aan de fotografen."

Met een derde tentoonstelling, 'Interland', trekt C-mine de kaart van de hedendaagse fotografie. Kunstenaars geven hun visie op de contrasten binnen het hedendaagse Genk: de moderne stad, de mijnrelicten en de restanten van het oorspronkelijke landschap. Een historisch drieluik? "Zo kan je het bekijken", besluit Kristof. Het gaat steeds om de esthetische en emotionele impact van het beeld en dat begrepen de landschapsschilders als geen ander. 'Genk door schildersogen' brengt misschien ook nog een historische correctie aan, namelijk dat de verstedelijking in Genk reeds begon in de tweede helft van de 19e eeuw en niet pas met de komst van de mijnen. Voor de eerste generatie schilders lag alles binnen handbereik in het compacte Genkse dorpscentrum. Vanaf de tweede generatie kwam alles in een stroomversnelling en begon Genk zachtjes uit te deinen. Daarmee ontkracht deze expo ook de mythe van het ongerepte natuurlandschap dat door de mijnen werd weggeveegd. De geschiedenis en de kunst zijn complexer. Dat is het overkoepelende verhaal achter de werken die je hier ziet."

Voor de tentoonstelling kon men putten uit de uitgebreide collectie werken van zowel privéverzamelaars als Belgische musea. Er zijn ook vier werken uit het buitenland te zien: twee uit Nederland, één uit Duitsland en één uit Frankrijk. Het was een heus huzarenstukje om in het ruim verspreide aanbod de nodige systematiek te krijgen. De fraaie selectie geeft blijk van durf en een uitzonderlijke esthetische waarde, maar als toeschouwer kan je vooral heerlijk wegdromen bij de verhalen achter de kleurrijke en detaillistische doeken. In de vaderlandse kunstgeschiedenis was Genk tot op vandaag een mysterieuze voetnoot. 'Genk door schildersogen' schrijft een nieuw hoofdstuk…

Olivier Constant

De tentoonstelling 'Genk door schildersogen’'is nog tot 5 december te bezichtigen in de tentoonstellingsruimte van het C-mine Cultuurcentrum.

Davidsfonds Leuven en de stad Genk zorgden ook voor  een luxueuze publicatie die het verhaal vertelt van de schilders in de Limburgse Kempen. Het boek is van de hand van Kristof Reulens, met bijdragen van Jos Geraerts, Eline Sciot en Dirk Lauwaert.