EXHIBITION #1: de verbijsterde mens tentoongesteld (recensie)

De installaties van Kris Verdonck houden al jarenlang het midden tussen theater, performance en beeldende kunst. Tot nu toe toonden vooral theaters zijn werk. Met de expo EXHIBITION #1’ in het Hasseltse Z33 is het voor het eerst in een museale context te zien. Speciaal voor de expo creëerde Verdonck de experimentele tuin ‘EXOTE’. Planten, vogels, kikkers, insecten en vissen zijn er de enige ‘performers’.

“De overgang van theater naar museum is een uitdaging”, stelt Verdonck. “In een theater bepaal ik de tijd die mensen aan een werk besteden. In een museum doen ze dat zelf. Vaak oordelen ze op een paar seconden. Daarom moet een kunstwerk meteen in het oog springen, het moet spectaculair zijn. Maar hoe het zal uitpakken, weet ik niet.”
Een groot aantal werken in deze tentoonstelling is afgeleid van ‘K, a society’ (2010), een recente reeks met voornamelijk video-installaties. In de oorspronkelijke, theatrale setting werd het publiek door een gids rondgeleid van de ene installatie naar de andere. Die gids kende zelf de ware toedracht van de zaak niet: hij kreeg instructies via een oortje. In Z33 worden de werken – behalve in het weekend – op zich getoond. Al maakt dat ze niet minder krachtig. Bovendien wordt zichtbaar hoe zeer ‘K, a society’ thema’s uit eerdere theaterinstallaties doorwerkt.

Net op sterk water 

Eén zaal in Z33 refereert duidelijk aan Verdonck zijn vroegere werk. Ze is getransformeerd tot een ‘opslagplaats van machinerie, gebruikt in performances/installaties (2003-heden)’. Het geheel zou niet misstaan in een museum van folterpraktijken: een waterkuip in glas, grote toestellen in staal, met kettingen, tegengewichten en een harnas beloven het betere folterwerk.

‘opslagplaats van machinerie, gebruikt in performances/installaties (2003-heden)', Kris Verdonck; photo: Kristof Vrancken / Z33

Zo werd in het werk ‘Duet’ (2005) bijvoorbeeld een man vastgesnoerd in een harnas, dat door een grote mechaniek uiterst traag rondwentelde. Tijdens de uitvoering werd een ballerina opgehangen aan de ‘danser’. Samen voerden ze zo sierlijk mogelijk, zoals het dansers betaamt, een duet uit. Zelfs als de machine hen ondersteboven draaide, bleven ze handelen alsof er niets aan de hand was. Een video brengt die performance in beeld.

Ook de performance ‘In’ (2003) toonde al zo’n bizarre situatie terwijl de performers toch handelden alsof hun toestand de gewoonste zaak ter wereld was. In deze voorstelling conditioneerde de grote waterkuip uit de machineriezaal de performers. Een man in pak en een vrouw in een kleedje van een dienster werden opgesloten in dit reuzenaquarium. Een grote zuurstoffles beademde hen, een warmtepomp hield het water op temperatuur. Met open ogen keken de performers de toeschouwers vanuit het water quasi bewegingsloos aan. Alsof ze op sterk water stonden. Leefden ze nog wel?

Dit soort installaties zijn Kris Verdonck ten voeten uit. Hoewel de dansers zich bij ‘Duet’ in een absurde, oncontroleerbare situatie bevinden, blijven ze toch verder ploeteren. Omdat ze geen keuze hebben of zien, verkiezen ze de situatie te negeren. Ze doen alsof ze op hun eentje dansen. Dit beeld roept sterke reminiscenties op aan Samuel Becketts ‘Happy Days’, waarin een vrouw steeds verder wegzakt in een berg zand. Toch blijft ze dwangmatig spreken over haar geluk. Dit beeld staat onmiskenbaar symbool voor onze samenleving waarin de onderlinge afhankelijkheid van mensen en systemen zo groot is dat autonomie een illusie is geworden. Terwijl elk reclamebord pretendeert dat iedereen de navel van het universum is – en we meestal ook navenant handelen.


in de ‘opslagplaats van machinerie' worden de performances van Kris Verdonck getoond op video; photo: Kristof Vrancken / Z33

Gevangen in een kader

Die spanning tussen wat we reëel bereiken en wat we denken te doen wordt in zijn meest ongerijmde vorm zichtbaar in ‘Dancer #3’ (2010). Het centrale ‘personage’ is er geen mens, maar een robot. Die probeert recht te blijven als zware veren hem doen opspringen. Dat lukt zelden, maar steeds weer hervat hij zonder verpinken zijn sisyfusarbeid.

‘Frieze’, een deel van ‘K, a society’ toont dan weer twee mensen die opgesloten zijn in dozen, die niet veel groter zijn dan lijkkisten. Ondanks hun benarde positie proberen ze zich een houding te geven. Een begeleidende tekst van Kafka spreekt over een man die toegang probeert te krijgen tot de wet, maar levenslang geweerd wordt. Als je beeld en tekst samen leest, blijkt echter dat – en ook dat is kafkaiaans – de Wet er steeds is. Als een inperking, een beknotting die zo ingeburgerd is dat we ze niet meer opmerken.


Frieze, Kris Verdonck; photo: Kristof Vrancken / Z33

Terwijl er bij ‘Duet’, ‘Dancer #3’ en ‘Frieze’ nog een poging tot actie was, ging het bij ‘In’, om zombies. Om mensen die zich er niet eens meer bewust van leken gevangen te zijn in een kader dat cruciaal was voor hun overleven. Dat hun leven eigenlijk overgenomen had. Ook in twee werken uit ‘K, a society’ komt dat thema nadrukkelijk aan bod. Al gaat het daar eerder om doffe berusting.

‘Syncope’ (2009) bestaat uit een grote bak gevuld met water waarin – via een projectie op het oppervlak – virtueel een man ronddrijft. Zijn pak verraadt zijn job als zakenman. Hij houdt zich drijvende met de aktetas die hij tegen zijn borst geklemd houdt. Gelaten wachtend op wat (niet meer) komen zal. ‘Presyncope’ (2010) toont geen mensen meer, maar plaatst de bezoeker zelf in de positie van iemand die van een torengebouw valt. Uiterst langzaam, als in ‘slow motion’, glijden de glazen wanden van de Zuidertoren in Brussel voorbij. Zo langzaam dat je bijna niet merkt dat het wateroppervlak aan de voet ervan steeds nader komt. Het ademloze moment waarop niets nog redding kan brengen en berusting intreedt. Een stem verwoordt het momentane, ultieme gevoel van onwerkelijkheid dat daarmee gepaard gaat.


Presyncope, Kris Verdonck; photo: Kristof Vrancken / Z33


Gossip, Kris Verdonck; photo: Kristof Vrancken / Z33

Bewustzijnsvernauwing

Als kijker blijf je bij deze werken relatief ongemoeid. Niet zo bij ‘Gossip’, ook al deel van ‘K, a society’. Je passeert langs een extreem lang videobeeld met mensen die je aanstaren. Ze fluisteren zachtjes tegen elkaar en barsten soms in lachen uit. Hoewel het videobeelden zijn, voel je je niet weinig geviseerd. Toch zou je na enige tijd ook deernis kunnen voelen met deze mensen. Met hun strakke pakken en nuffige rokjes behoren ze duidelijk tot het ‘schoon volk’.

Hun handelen en hun geroddel wordt helemaal gestuurd vanuit dat groepsbewustzijn. Niet als individu, maar slechts als groep kunnen ze zo superieur neerkijken op de passanten. Terwijl ze denken dat ze jou in het vizier houden, zijn ze zelf totaal geconditioneerd door de rij en het (beeld)kader waarin ze plaats namen. Misschien vloeit hun houding wel uit niets anders voort dan een extreme onzekerheid over (de houdbaarheid van) hun eigen positie…? Bewustzijnsvernauwing dus. Die zie je in zijn meest extreme vorm in ‘Mouse’ (2010): de muis stevent recht op haar onvermijdelijke einde af wanneer ze het niet kan laten het kaasbrokje van de muizenval te grissen.

Een installatie uit ‘K, a society’ doorbreekt die bewustzijnsvernauwing om plaats te ruimen voor een lucide gevoel van vergeefsheid. ‘Pellet’ bestaat uit een reusachtige, viltachtige (braak)bal. Die hangt als een dreigend volume net boven ooghoogte. Een stem in de bal vertelt het verhaal van Kafka over de ‘Odradek’, een klein wezen dat lijkt op een garenklos. Het houdt zich in kelders in de buurt van mensen op. Het verhaal inspireerde Jef Wall voor een foto van een meisje dat een oude keldertrap afdaalt. In een hoekje ligt die Odradek op de loer. De Odradek doet niets, leeft nauwelijks en heeft zeker geen levensdoel. Maar hoewel hij dus schijnbaar de mindere van de mens is, zal hij hem toch overleven, stelt de verteller mismoedig vast.

Niet verwonderlijk dat auteurs als Kafka en Beckett bij Verdonck steeds weer opduiken als inspiratiebron. Ook zij beschrijven de verbijstering die een mens overvalt als de wereld zijn vanzelfsprekendheid verliest. “In onze samenleving heerst een voortdurende vorm van onderdrukte paniek, die zich uit als stress. We doen alsof we alles de baas zijn, maar beseffen tegelijk dat een ramp voortdurend op de loer ligt door de extreme verweving en afhankelijkheid van alles met alles.”

Totale vernieling

Dat is ook de betekenis van de installatie ‘EXOTE’. Op de etage van Z33 legde Verdonck een grote tuin met een centrale waterpartij aan. Op het eerste gezicht is het een paradijselijke tuin met parkieten, vissen, kikkervisjes van een stierkikker, rododendrons, Japanse duizendknoop… Kortom, alles wat je in een tuincentrum vindt. Maar hier en daar tref je een echt gevaarlijke plant aan zoals de reuzenberenklauw. Je mag de zaal dan ook enkel binnen met beschermende kledij. Na afloop van de tentoonstelling zullen alle planten en dieren uit deze tuin zorgvuldig en volgens strikte procedures vernietigd worden om te vermijden dat ze zich in het milieu verspreiden.


Beschermende kledij is verplicht om EXOTE te betreden; photo: Kirstof Vrancken / Z33

Aangezien deze soorten in onze kontreien geen natuurlijke vijanden hebben, gedragen ze zich als ‘invasive alien species’. Begrijp: ze brengen het ecologisch evenwicht in geen tijd om zeep. In Limburg vormt de stierkikker bijvoorbeeld al een bedreiging voor andere diersoorten. “De mens heeft actief aan de verspreiding en import van deze soorten bijgedragen”, merkt Verdonck op. Dat wordt in een zaaltje voor de tuin uitgebreid uit de doeken gedaan met teksten en video-opnames van biologen. Daaruit leer je dat de natuur of het ecologisch systeem nu al op de grens van een apocalyptische toestand, met name de totale vernieling, zweeft.

Het gaat dus om hetzelfde thema: hoe de mens zichzelf in een eigenlijk onhanteerbare situatie gebracht heeft, maar tegelijk blijft doen alsof er niets aan de hand is. “Als er sprake is van paniek, dan blijkt die vooral uit de ronduit ondoordachte manier waarop mensen soms het hoofd proberen te bieden aan deze situaties. Maar gewoonlijk merken we zelf niet waarin we beland zijn.”

En altijd weer gebeurt het met de beste bedoelingen, die als dekmantel dienen voor een redeloos verlangen om als leerling-tovenaar een onbegrijpelijke wereld toch naar ons beeld te dwingen. Met misbaksels zoals het popje ‘Huminid’ (2010) als resultaat. Dat is geïnspireerd op het verhaal over de ‘Homunculus’, een artificieel wezen dat Mephistofeles schept in ‘Faust II’, maar nooit volledig tot wasdom komt en altijd in een soort halve staat van zijn blijft hangen. In die staat blijft hij eindeloos woorden uitkramen.

De tuin woekert ondertussen heftig verder. “Wie weet hoe het evolueert”, mijmert Verdonck. “Biologen volgen dit experiment al met argusogen, want voor hetzelfde geld ontdekken we hoe deze dier- en plantensoorten elkaar teniet doen. Hebben we meteen een oplossing.”

Ook die laatste opmerking is Verdonck ten voeten uit. Met de door hem vaak geciteerde Samuel Beckett heeft hij namelijk minstens dit gemeen: een geloof, tegen beter weten in, dat onze catastrofale handelingen misschien toch ergens toe leiden. “Beckett behandelde zijn acteurs als marionetten door ze letterlijk en figuurlijk hun handelingsvrijheid te ontnemen. Dat gebeurt in mijn werk ook vaak. De zin ‘Fail once, fail more, fail better’ komt vaak terug bij hem. Het is geen bron van wanhoop, maar eerder van een soort duistere hoop. Mijn personages raken door hun mislukken evenmin gefrustreerd. Ze hebben daar gewoon geen idee over. Mislukken, dat is wat we hier in het ondermaanse doen, maar dat is ook wat ons aan de gang houdt.”

Pieter T’Jonck

Kris Verdonck - EXHIBITION #1, tot 21 augustus 2011 in Z33, Hasselt