Bram Bogart: Ik ben een schilder van deze tijd (interview)

Al 22 jaar woont Bram Bogart nu in Kortenbos, na verblijven in Parijs, Rome, Cannes, Brussel, Ohain,… en nog elke dag werkt de schilder in zijn atelier. Begin juli werd de internationaal vermaarde kunstenaar 89 jaar. Een loopbaan van ruim 71 jaar en tentoonstellingen in Parijs, Londen, New York, Basel en nu in Sint Truiden. Een terechte hommage.


Leni en Bram Bogart, (c) Jan Crab

Na Parijs, Rome en Brussel bent u niet naar Amerika getrokken maar heeft u zich hier in Limburg gesetteld?
B.B.: Parijs was ik in de jaren 60 een beetje beu en ik wou graag naar Amerika want ik voelde me veel meer verwant met de Amerikaanse kunstenaars van toen. Maar ik kreeg de gelegenheid om in Brussel te werken. Brussel was toen eigenlijk een provinciestadje en van daar zijn we naar de Manoir van Ohain getrokken.

B.B.: Na 24 jaar in dat machtige 14e eeuwse pand zijn we er als huurders uitgezet en ik dacht: ‘dit zal me nooit meer overkomen’. Met de familie zijn we teruggekeerd naar Brussel waar mijn atelier uitbrandde. Een jaar heeft het me gekost om die hele poespas te regelen terwijl mijn vrouw en dochter de schilderijen moesten reinigen. En toen kon ik dit mooie kasteel en park op de kop tikken en hier wonen we nu al bijna net zo lang als in Ohain.

Heeft deze –toch wel – unieke omgeving uw werk beïnvloed?
B.B.: Ik heb een schilderij ‘Kortenbos’ gemaakt. Maar met de grote formaten was ik al in Ohain bezig omdat daar ruimte was, net als hier. Er is veel ambiance in dit huis en dat is belangrijk voor een schilder. Maar concreet kan ik niet zoveel zeggen over die invloed…Een mens komt ergens terecht en je weet niet op voorhand wat het zal brengen. De vrijheid van de omgeving hier in Kortenbos is toch wel doorslaggevend. Stel dat ik zo’n enorme werken in zo’n bekrompen ateliertje zou moeten maken?

Leni (mevrouw Bogart): Een kunstenaar is niet bezig met zijn omgeving. Hij beseft niet zo duidelijk wat de buitenwereld met zijn werk doet. Een kunstenaar doet wat hem ingegeven wordt. Een artiest heeft zin om te schilderen. Wel dan doet ie dat. En ja, natuurlijk kan je de vlierbloesem in de dotten van zijn werk zien. Die opeenstapeling van bloesems kan je zien.
BB: men noemt mijn werk abstract. Nee, het is geïnspireerd door de natuur. Een abstract schilderij bestaat niet.

Was het de mot die naar het licht vloog? Was dat de reden waarom u net na de oorlog naar Parijs trok?
B.B.: Ach, een kunstenaar moést toen naar Parijs. Dat was de romantiek in je hoofd. In 1946 was ik de enige buitenlander in La Grande Chaumière, de legendarische tekenacademie in Montparnasse. Weet u, ik ben een tijdje conciërge geweest in de rue de Turenne. Ik moest er de vuilbakken buitenzetten maar dan had ik een kamertje waar ik kon slapen. Het was armoe troef, ook bij de andere bewoners; Ooit, in een koude winter, heb ik er de bewoners van de bovenste verdieping met een lange slang van water voorzien.

Leni: soms had hij het in zijn atelier zo koud dat hij even naar de Post ging om zich daar op te warmen om met minder verkleumde handen opnieuw te kunnen schilderen.

Waren het grote ateliers waarin u werkte?
B.B.: Er was een grote leerlooierij waar het verschrikkelijk stonk en die in aparte eenheden was opgedeeld. Karel Appel, Corneille,.. hadden er een atelier maar zijn na een tijdje weggegaan omdat ze de odeur niet konden harden, maar ik ben gebleven.

Het cliché van de bonte bohémienbende?
B.B.: Ach, in Parijs ging ik wel graag dansen, jah. In Parijs heb ik ook mijn vrouw Leni (Abelina) leren kennen. Ook zij werd door de lichtstad aangetrokken en ook zij ging tekenen in La Grande Chaumière, maar we waren er niet tegelijkertijd.
Leni (grappend): ik heb mijn verfpotjes aan hem overgelaten.

Nu werkt u waarschijnlijk geen 24 uur per dag meer zoals vroeger?
B.B.: Ik begin nog vroeg met het prepareren van mijn werk en die panelen, dat is langdradig werk. Soms is dat van 7 uur ’s ochtends tot 7 of 8 uur ’s avonds. En dan komt mijn vrouw mij een banaan en een kop chocolademelk brengen en dat is dan alles wat ik eet. Mijn vrouw zegt dat ik moet eten, maar dat is vervelend.
Leni: de buurvrouw hier in Kortenbos merkt soms op dat het licht ’s nachts blijft branden. Ja, dan is hij weer bezig.

Stopt het nooit?
B.B.: Nee, ik blijf altijd bezig. Nu is het om gezondheidsredenen wat moeilijk want ik werkte aan mijn schilderijen op de grond. Sommige van mijn schilderijen wegen tot 150 kilo, sommige zelfs 300 kilo. Dan ben ik op een tafel beginnen werken. Maar dat voorovergebogen staan, heeft me rugproblemen bezorgd en nu werk ik al zittend aan een lage tafel.

Schilderen, het lijkt wel sportieve krachtpatserij?
Leni (lachend): ja hoor, hij heeft ook zoals de ‘coureurs’ krachtvoedsel nodig want de arbeid is niet te onderschatten.

Schilderijen van 300 kilo zijn dat nog wel schilderijen? Zijn dat geen beeldhouwwerken?
B.B. (fel): néé, mijn werk is schilderen. Want de verf is nog altijd de belangrijkste materie. Ik ben de meest expressionistische schilder van het moment. Mijn schriftuur dat is het plaatsen van lijnen of toetsen die elkaar niet herhalen, is zowel abstract als monochroom en daaraan is de verf onderhevig. De opbouw van een doek is een hele beweging en dat het vlak ‘uitloopt’ is belangrijk. Een sterk schilderij zit in de opbouw en in de techniek.

Waarom is die schilderkunst als een onontkomelijke minnares?
Zoon Bram : Ik heb hem al dikwijls gevraagd waarom hij kunstschilder is geworden en dan krijg ik als antwoord: ‘om de vrijheid om niet hoeven te werken’. Maar hij werkt nu de klok rond.

BB:Toen ik 13 of 15 jaar was, wist ik al dat ik wou schilderen. Ik tekende al en mijn vader heeft een schriftelijke cursus voor me betaald. Mijn vader tekende ook en hij heeft me altijd gestimuleerd. Hij hielp me met de voorbereiding van de doeken; hij kwam dan naar Ohain en werkte mee en keek naar wat ik maakte. Maar hij was een man van weinig woorden. Mijn moeder was meer bavard. Mijn vader zei altijd: ‘er is al een advocaat in de familie’.

En nu helpt uw zoon (ook Bram Bogart) mee aan de voorbereiding van uw werk?
B.B.: Ja en daardoor is zijn belangstelling voor houtwerking gegroeid en is hij nu de designer die hij hij is (designer van het jaar).

Leni : in New York noemen ze ons (met de twee dochters) de ‘Bogart-clan’ maar dat zijn we niet hoor. We hebben altijd gedaan wat we zelf fijn vonden.

Kunst is wel alom present ten huize Bogart?
B.B.: De drang om iets te doen is er altijd geweest. De overtuiging zit hem in het doorzetten, in het systematisch doorwerken. Ik heb altijd de drang gehad om altijd beter te doen, om mijn tijd te benutten. Ik kan niet anders, ik ben geen intellectueel. Het probleem voor mezelf is om me niet te herhalen maar telkens nieuwe gegevens te vinden. Leni: hij werkt gewoon gestadig aan iets en van het ene ontstaat het andere. Zoals een breiwerk.

Bram Bogart in actie, (c) Jan Crab

Wat is eigenlijk het begin van een schilderij?
B.B.: Het is schilderen en nadenken tegelijkertijd. Het start al vooraf. Misschien al wel bij het vorige schilderij. Tijdens de lange voorbereidingstijd ben ik al bezig met een idee. Maar alle werken horen bij elkaar. Er zijn werken van jaren geleden die ik opnieuw oppak. Ik heb werk van alle tijden bewaard en sommige doeken teruggekocht. Dat geheel maakt een schilderij. Elk schilderij moet zo goed mogelijk zijn. Soms zet ik ze naast mekaar en ik vergelijk ze met elkaar; ook de oude doeken met de nieuwe. Ik kijk naar de dikkere werken en dan naar de modieuzere en dunner geschilderde doeken. Je moet kritisch naar je eigen werk kijken; dan ontdek je jezelf.

Begint u na die lange voorbereiding dan onmiddellijk op de panelen te werken?
B.B.: Op de jute die soms 1 of 2 lagen heeft, zet ik eerst nog een grondlaag voor de luminositeit. En daarop komt de materie, een combinatie van olie- en waterverf

Schilderijen zijn geen wezen? Welke zijn uw kunstzinnige ouders?
B.B.: Als figuratief schilder werd ik beïnvloed door Permeke en door Van Gogh. Toen ik na de oorlog in Parijs was, ging ik vaak naar het Louvre naar de oude meesters kijken: da Vinci, Michelangelo,… Ik was er toen zowat de enige. Tijdens de oorlogstijd ben ik in Den Haag naar de Academie gegaan om een vrijstelling te bemachtigen. Mijn leraar daar zei: ‘je werk is gevoelig maar het ontbreekt vorm.’ Toen begreep ik dat niet goed maar ik ben er later op teruggekomen.

B.B.: Een vaas bloemen is een vorm. Rembrandt, een van mijn grote voorbeelden, is een meester in vormgeving. Van Gogh heeft heel veel gewerkt om dat vormelijke te leren. En dat ‘korsterige’ van de verf, daar ben ik Jacob Smits dankbaar voor. Maar ook het hoge Noorden, Scandinavië is een inspiratiebron geweest. Het pointillisme van het post-impressionisme zie je ook in bepaalde doeken. Iedere vorm van schilderkunst kan je in mijn werk terugvinden.

Is het oneerbiedig om te zeggen dat u een spons bent?
B.B.: Nee, hoor! Ik ben erfgenaam van heelder generaties. Maar in schilderkunst moet je kunnen vallen om weer verder te gaan.

U ging dansen in Parijs? Ook die andere Nederlander Piet Mondriaan ging in Parijs (en later in New York) graag swingen en hij noemde zijn schilderijen ‘Boogie Woogie’. Is er een link?
B.B.: Mondriaan heeft die typische Noordelijke inslag met die horizontale en verticale belijning. Dat vind je niet in de Franse Schilderkunst. En Rubens schildert in diagonalen. Is dat een kwestie van protestantse en katholieke uitdrukkingswijzen? Mondriaan schilderde zo exact…

En dan zijn er die primaire heldere kleuren?
B.B.: Ik hou die kleuren zo puur mogelijk. Oranje moet oranje blijven. Ik zoek nog altijd mijn pigmentverdelers zelf, zoals ik al deed in Parijs, in Brussel,….

Heeft de schilderkunst u volledig opgeslokt?
B.B.: Van ’s ochtends tot ’s avonds, jah. Maar ik denk over alles na; vooral over de conflicten. Het zijn altijd dezelfde oorlogen. Honderd jaar geleden sloegen ze mekaar al de hersens in en dat is niet veranderd. Waarover ik nog altijd verbaasd ben, is over het rotte dat in de mensen zit en waarvoor mensen waardering hebben. Er zijn mensen die Hitler, Napoleon,…bewonderen. We hebben steeds dictaturen gehad.

Heeft u daarom de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens’ willen illustreren?
B.B.: Onbewust waarschijnlijk wel ja. Misschien is dat het erfgoed van mijn vader. Mijn vader was een humanist, een sociaal democraat. Van christelijke huize was hij naar de linkse kant gegroeid. Socialist was – in die tijd – zowat des duivels; dat was buiten de mensheid. Mijn vader was een doodeerlijk mens.

Uw vader was een smid; u bent zelf begonnen als huisschilder. Is dat ‘hand-werk’ belangrijk?
B.B.: Het ambachtelijke métier mag je niet aan anderen overlaten; ook al is het niet altijd een plezier. Hoeveel tijd ik in een schilderij stop, zeg ik nooit. Uiteindelijk gaat het om het resultaat. Ik heb me nooit laten verleiden tot knullig werk. Enkel als je werkt, kom je er. Ik ben altijd een arbeidsman geweest en dat ben ik nog.

B.B.: Picasso ben ik een paar keer tegengekomen. Die werkte met zijn ogen en was een keiharde zakenman. Bracque die als eerste met kubistische schilderijen was begonnen, huilde toen Picasso dat van hem pikte. Er is weinig vriendschap in het kunstmilieu. Lucio Fontana heb ik goed gekend; hij was de meest sympathieke van allemaal. Ook een van de armste.

Arte Povera is nu wel duur!
B.B.: Ach, modes veranderen steeds weer en er zijn altijd mensen geweest die nog meer geld wilden dan ze al hadden. Ook schilders. De jonge gasten van tegenwoordig, potverdikke, die weten het wel hoe ze zichzelf moeten verkopen. Maar modes vergaan en uiteindelijk blijft een goed schilderij altijd bestaan.

B.B.: Ik ben een schilder van deze tijd. Van Gogh was een schilder van zijn tijd. Niemand schildert meer zoals hij. Schilderijen zijn altijd beïnvloed door de tijd waarin men leeft. Men denkt vaak dat een schilderij zijn tijd vooruit is. Dat is niet waar. Het is het publiek dat achterblijft.

Zijn schilderijen zelfportretten?
B.B.: Ieder schilderij is een zelfportret, dat zegt men wel. Ik geloof het ook wel (tinteling in de ogen).

Eigenlijk bent u een spelende jongen gebleven?
B.B.: Ik ben blij dat u het zegt (monkellachje).
 

Eliane Van den Ende