Boekbespreking: Hasselt op weg naar een artistieke biotoop? Hasselt als kunstenstad

Wat is het artistiek potentieel van Hasselt? Moet en kan het beter? En hoe moet je dat dan precies aanpakken? Deze kernvragen borrelen uit een bondige studie van cultuursocioloog Pascal Gielen, verbonden aan de universiteit van Groningen, op.

Het Hasseltse gemeentebestuur vroeg Gielen om een studie van het artistiek potentieel van de stad te maken. Tegenwoordig zetten steden, stadjes en gemeentes kunst en cultuur in als middel voor de promotie van het eigen imago. Cultureel aantrekkelijke steden trekken toeristen aan, met een goed marcherende cultuurindustrie als resultaat. Daarom moet elke stad zijn prestigieus project hebben en moet elke stad een herkenbaar en duidelijk afgelijnd imago uitdragen.

Op het vlak van de marketing en het marktgerichte denken is niets dodelijker dan een kleurloze stad zonder persoonlijkheid. Zo tracht de provinciestad Kortrijk met haar cultureel beleid, kernachtig gebundeld in de slagzin “creatie, design, vernieuwing”, haar prestige en aantrekkelijkheid te vergroten. De stad maakt werk van stedenbouw via de aanleg van dure bruggen. Of herschikt bestaande open ruimtes om het onderlinge contact tussen de mensen te verbeteren. Het gloednieuwe, overdekte winkelcentrum in het centrum moet dan weer nieuwe stadsbezoekers aantrekken. De economie kan dus gouden zaken doen.

Kunst als “onmaat”

Maar cultuur, zo oppert Gielen zeer terecht, staat niet noodzakelijkerwijs gelijk aan kunst. Of beter gezegd: alle kunst is wel cultuur, maar niet alle cultuur is kunst. Deze studie spitst zich louter op kunst toe. Actuele kunst draagt een notie van kritiek in zich en is geen bevestiging van de bestaande orde. Een kunstenaar schept vrijelijk en hoeft zich niets van de bestaande orde aan te trekken. Om dit punt te verduidelijken citeert Gielen zowel de Italiaanse filosoof Paolo Virno als Robert Musil in zijn roman ‘De man zonder eigenschappen’. Met deze uitkomst als resultaat: kunst bevestigt de realiteit niet, maar zorgt er eerder voor dat een andere realiteit gedacht kan worden.

Cultuur is de maat van alle dingen, kunst is de “onmaat”. Kunst kan alles in vraag stellen, relativeren en zelfs afvallig zijn. Een slimme vraag luidt dan: “Hoeveel “onmaat” kan een stad aan?” Kan Hasselt, een stad op mensenmaat, die insubordinatie aan? Dat is misschien wel de diepst gravende vraag van het hele betoog. Het bestuur en de artistieke spelers van de stad blijken alvast vragende partij te zijn. Op kunstenvlak moet Hasselt iets onvoorspelbaar krijgen, weg van het brave karakter van de provinciehoofdstad.

“Hoeveel “onmaat” kan een stad aan?” Laten we een ander voorbeeld bekijken. Net zoals Hasselt heeft Kortrijk zijn eigen kunstscene. Buda, het eiland in de Leie, is een heus kunsteneiland. Zo zijn het stedelijk Broelmuseum (schone kunsten) en het kunstencentrum Buda er gevestigd. Binnen de muren van Buda kan het publiek met diverse kunsttakken kennismaken en kunnen kunstenaars een creatieopdracht uitvoeren. Een soort van kunstoase heeft zich dus in het stedelijk weefsel genesteld.

Maar uit een kleine rondvraag onder de lokale bevolking blijkt dat een substantieel aantal Kortrijkzanen niet op de hoogte is van de werking van Buda. Niet alleen stellen de ondervraagden zich vragen bij het kostenplaatje, maar ze vermoeden ook dat het om elitaire kunst gaat. Hoewel deze denkwijze bevooroordeeld en reactionair is, roept ze toch vragen op over de transparantie en vooral de communicatie. De mensen worden niet bereikt en de schrik voor een teveel aan “onmaat”, of voor het onbekende, zit van oudsher ingebakken in de mens. Of zoals in de studie opgetekend staat: “Men kan mensen slechts de onmaat leren begrijpen en ervan leren genieten, wanneer ze weten wat de maat is of was.” Kennis is cruciaal, en dat geldt a fortiori voor hedendaagse kunst. Een maatschappelijk draagvlak rechtvaardigt de middelen die in de kunstsector worden gepompt.

Balans?

De twee titels van de studie verwijzen naar de twee inhoudelijke delen. Gielen schetst de Hasseltse situatie en brengt het kunstenlandschap in kaart. Hij behandelt de componenten die in zijn ogen sterker zouden moeten zijn en vermengt de wensen en verzuchtingen van de belangrijkste artistieke actoren met theoretische oplossingen. Als een rode draad doorheen de publicatie komen de toekomstprojecten voor Hasselt van de studenten architectuur en stedenbouw van de Fontys Academie Tilburg aan bod. Daarbij worden de stationsomgeving, de Kanaalkom en de Muziekodroom aangepakt.

Het is een beetje spijtig om te moeten opmerken dat een aantal van de voorgestelde projecten van de studenten wel charmant ogen, maar lef en visie missen. “State of the art” is dit niet. De studie van Gielen staat kwalitatief veel sterker dan de stedenbouwkundige of architecturale bedenksels. Balans is een sleutelwoord in Gielens studie, maar tekst en beeld zijn dat dus niet helemaal.

Artistieke biotoop

Gielen zijn belang voor balans wordt het duidelijkst in zijn kwadrant model voor de artistieke biotoop. Die biotoop deelt hij op in 4 segmenten: een domestieke, een artistieke, een marktgerichte en een publieke ruimte. Elke ruimte moet idealiter evenwaardig zijn. Vandaag scoort Hasselt vooral op het vlak van de marktruimte.

Hasselt winkelstad moet dus meer ruimte voor kunstenaars creëren. Ruimte om te resideren, ruimte om te creëren. De stad moet genoeg mogelijkheden voor ongedwongen ontmoetingen tussen kunstenaars scheppen. Steden zoals Gent en Antwerpen, waar aan het artistieke leven in Vlaanderen richting wordt gegeven, beschikken over een florissant horecaleven. Een ontmoetings- en opvoerplaats zoals de Gentse Vooruit is een ideaal vehikel. Zonder netwerking geen kunst.

Daarnaast is het belangrijk om internationale artiesten aan te trekken, zodat het publiek en de lokale kunstenaarsgemeenschap met het internationale niveau in aanraking komt. Competitie is onmisbaar. Hasselt moet aan haar gewenste imago van kunstenstad sleutelen. De verschillende artistieke actoren moeten daarenboven samenwerken. Beleid en werkveld zijn idealiter op elkaar afgestemd. Het stadsbestuur moet de artistieke organisaties dus betrekken in zijn beleid.

Bovendien schept de samenwerking van de universiteit en de hogescholen met het artistieke veld boeiende mogelijkheden: zo krijgt de universiteit een notie van de realiteit van de actuele kunst en geniet de artistieke sector van een academische ondersteuning. Tot slot is samenwerken een kwestie van intermenselijke relaties. Egokwesties en conflicterende visies spelen altijd en overal een rol. Moet de stad een kunstenmanager aanstellen? Een onderbouwde strategie middels een uitvoerig neergeschreven toekomstvisie is absolute noodzaak, weet Gielen.

Optelsom?

Aan de hand van matrices legt Gielen sociologische principes en modellen, toegepast op Hasselt, uit. Het zijn stuk voor stuk intelligente plannen, maar is dergelijk planmatig opzet zaligmakend? Gechargeerd gesteld: zal een kunstenaar beter werk leveren omdat een stad een park aanlegt of voor residentieruimtes zorgt? In alle tijden en overal heeft de mens kunst gemaakt. Is dat niet in ruimere mate afhankelijk van de kunstenaar, eerder dan van zijn al dan niet kunstvriendelijke omgeving?

Kunst volgt niet uit een optelling van verschillende componenten, of een balans van externe omstandigheden. De moeilijkheid is duidelijk niet de analyse van de situatie, want die doet Gielen lucide uit de doeken. Draagt een sociologische oefening een vruchtbare bodem voor de kunsten aan? Het lijkt zo artificieel: wat zijn de noodzakelijke ingrediënten van de ideale artistieke biotoop en hoe zullen we die mogelijkheden scheppen om een levendige kunstenstad te worden? Hoeveel maat is wenselijk voor de “onmaat” van de kunst?

De toekomst

Gielen is een getalenteerd observator. Bovendien is zijn studie vanuit sociologisch oogpunt erg leesbaar. Het is een goed geschreven, gevulgariseerd academisch werkstuk zonder overtollig of pedant jargon, maar met duidelijke, netjes afgeborstelde definities en wervende voorbeelden.

Laten we hopen dat het Hasseltse stadsbestuur als opdrachtgever van deze interessante kunstsociologische studie ook daadwerkelijk gebruik zal maken van het werkstuk. Alle bouwstenen van de bestaande en de in de toekomst wenselijke artistieke biotoop zijn glashelder beschreven. Heeft het stadsbestuur het lef en de visie om verdere stappen te zetten? Hoeveel “onmaat” kan de politiek aan?

Laat deze publicatie alvast de raadgever en de bepaler van de richting zijn. Gielen tekent op: “(…) de tolerantie voor kunst – voor datgene wat men nog niet kent – is een testcase voor het democratisch gehalte van een culturele en politieke gemeenschap.” Welaan dan!

Matthias Depoorter

Hasselt. Op weg naar een artistieke biotoop? Hasselt als kunstenstad.
2010. Gielen, Pascal; Glaudemans, Marc; Boer, Matthijs. (c) Fontys.